De Aziatische metropool als ideaal

Kunst en architectuur komen samen. Wandelen langs Passage City, Collage City, Bubble City, Shaman City, Vertical City, en roept u maar.

Shenzen is een stad bij Hong Kong waar, naar men zegt, niets ouder is dan acht jaar. Foto's met het panorama van Shenzen tonen een dichte massa van zilveren wolkenkrabbers en lichtend witte gebouwen, die alles wat voorbij komt aanzuigt als een kosmisch zwart gat. Shenzen wordt op de tentoonstelling Cities on the move 4 in het Louisiana Museum in Humblebaek, Denemarken, door architect Rem Koolhaas even naast een andere, eveneens volkomen nieuw opgetrokken stad gezet: Almere. `Als je Shenzen vergelijkt met Almere', schrijft hij op een tekstbord, `dan is het interessant om je af te vragen hoe het komt dat Almere, waar zo veel meer architecturale planmatigheid en geld in is gestopt, toch veel minder een city is'.

Onze polderstad komt in het Deense kustplaatsje verder niet ter tafel, maar ideeën over wat een city behelst des te meer. Die ideeën komen los doordat de samenstellers van Cities on the move 4, de Chinees Hou Hanrou en de Duitser Hans-Ulrich Obrist, zich hebben geconcentreerd op de Aziatische metropool, het meest extreme voorbeeld van de city. Meer dan honderd voornamelijk Aziatische beeldend kunstenaars, filmers en architecten zijn uitgenodigd om hun gedachten hierover vorm te geven bij iedere plaats die de tentoonstelling aandoet. Na Wenen, New York en Bordeaux is Humblebaek, 35 kilometer van Kopenhagen vandaan, de vierde halteplaats. Eindstation is de Hayward Gallery in Londen waar Rem Koolhaas later dit jaar het `afval' van de reeks Cities... als het ware zal recyclen.Buiten Koolhaas weet niemand wat hij zich daar precies bij voor moet stellen, maar nieuwsgierig maakt het wel. Na de eerste Cities on the move in 1997 brak de economische crisis in Azië uit en dat heeft zijn sporen in de volgende tentoonstellingen nagelaten. Het lijkt een goed idee om iemand, die met zijn gebouwen het aanzien van de wereld mee bepaalt, te laten zeggen wat zijn visie op die ontwikkelingen is. Bovendien wordt Koolhaas sinds de laatste Documenta, waar hij prominent aanwezig was met met teksten bedrukt fotobehang, niet alleen als architect maar ook als beeldend kunstenaar gezien. Klaarblijkelijk beginnen de twee genres elkaar weer te naderen en in dit opzicht is een opmerking die architectuurcriticus Ole Bouman kort geleden in het tijdschrift Archis maakte, interessant. ,,Architectuur'', schreef Bouman, ,,is nauwelijks nog een vakgebied te noemen, maar veeleer een dimensie waarin maatschappelijke waarden en verwachtingen voor de toekomst bij voorkeur worden uitgedrukt.''

Je zou hetzelfde kunnen zeggen van de jongste kunst. Daarmee zijn we in zekere zin weer terug bij de jaren zestig. Ook toen dacht men liever in `dimensies' dan in vakgebieden en zelfs architecten toonden wel eens sociale betrokkenheid. Een belangrijk verschil is, dat nu ook een kunstenaar uit Thailand, Rirkrit Tiravanija, zegt dat `kunstwerken bedoeld zijn om de kloof tussen cultuur en leven te dichten'. Dat is een nieuwe knoop aan de oude jas. Een grote knoop, want het betekent dat kunst niet meer automatisch westerse kunst is, maar wereldomspannend is geworden. En Cities on the move is daar een proeve van.

Hoe ziet die global art eruit? Als Hong Kong: een bonte, kermisachtige chaos. Ik zeg Hong Kong omdat de samenstellers, in een poging om een schijn van ordening aan te brengen, het model hebben gevolgd van Hong Kong als de global city bij uitstek. Deze `heteropool', die als een krabspin in het netwerk van de wereldeconomie zit, kent niet één centrum, in de zin van een kernpunt waar de stad zijn identiteit aan ontleent, maar is als het ware een samenklontering van verschillende, gespecialiseerde centra, de `cities'. En zoals we daar van de financiële city naar de kleermakers city kunnen gaan en het gevoel kunnen koesteren te weten waar we aan toe zijn, zo wandelen we in Humblebaek langs Passage City, Collage City, Bubble City, Inner City, Cell City, Shaman City, Vertical City, en roept u maar.

Vaak zijn die cities eenmanszaakjes. Consumer City bijvoorbeeld is het werk van een Japanse kunstenaar die als een straathandelaar platte koffertjes opengeklapt heeft neergezet. Bij nadere beschouwing blijken het zwarte schilderijen te zijn waarop met witte verf kettinkjes en ringen zijn geschilderd. Dat is city life: venten om te overleven, desnoods met onhandige schilderijen die het venten nabootsen.

Consumer City wijst ook naar ons, de toeristen van global city, altijd uit op koopjes en vermaak. Van dat laatste is hier genoeg te krijgen, want de meeste kunstenaars hebben zich ingespannen om dat wat ze over willen brengen zo plezierig mogelijk te presenteren. Soms (en dan zijn we echt helemaal terug in de tijd gereisd) ben je zelfs deelnemer aan het kunstwerk, zoals bij Trans City. Daarbij kun je klauteren in een echte tuk-tuk, een driewielige taxi zonder deuren en met een baldakijn als dak.

Het kleurige vehikel, dat ongetwijfeld stinkt als een aftandse brommer, komt uit Bangkok waar hij door het Thaise duo Navin Rawanchaikul en Rirkrit Tiravanija van de straat is geplukt. Om `de kloof tussen de kunst en het stadsleven te dichten' hebben de twee achter de bestuurdersplaats een stel kleine monitoren opgehangen waarop beelden dansen van het Bangkokse verkeer, uit het perspectief van de chauffeur. Zo kunnen we ons als toeristen betrokken voelen bij de struggle for life van de sociale onderlaag.

Natuurlijk zijn de beter gesitueerden eveneens vertegenwoordigd. In een van de lange gangen van het museum is een bobbelige mini-golf aangelegd met één hole: Game City. Op de dag dat ik er was verdrong men zich om het balletje met een heuse golfstick in het gat te slaan. Game City is ook een grote kleurenfoto van Andreas Gursky. Hij heeft de paardenrennen in Shan Ti gefotografeerd op de wijze die we van deze Duitse kunstenaar kennen: als een geweldig panorama. Het beeld heeft de gelaagdheid van Engelse drop. Je ziet, van onder naar boven, een laag mensen, het draafveld, struiken, een wegennet, woonblokken, bergen. Ergens daar tussenin, alle niveaus dominerend, staat een gigantisch digitaal scherm waarop de cijfers van de rennen oplichten.

Het zegt iets over kunst dat een foto de enorme impact van spel en gokken veel indringender in beeld kan brengen dan het daadwerkelijk tegen een balletje meppen. Kunst heeft, als ze goed is, een röntgenachtig karakter. Ze roept het gevoel op dat door de massieve buitenkant van de werkelijkheid heen valt te kijken. Dat de structuren of processen die zich aan de directe waarneming onttrekken, wel degelijk ervaren kunnen worden, zoals je ook iemands gemoedsbewegingen kunt aanvoelen zonder ze direct te zien. Voorwaarde is, en dat geldt zowel voor de kunstenaar als voor de beschouwer, dat je in die kracht van kunst gelóóft. Voor kunstenaars die sociale betrokkenheid nastreven, blijkt dat vaak moeilijk te zijn. Ze kiezen veelal voor het letterlijk of uitdrukkelijk symbolisch weergeven, omdat dat tenminste geen ruimte voor twijfel laat.

Dat geldt hier voor oost én west. Bij Den City bijvoorbeeld legt een Deens kunstenaarscollectief het publiek de vraag voor, wat het betekent om Deens te zijn. Dat mag je dan met potlood in een op de muur getekende, perspectivisch vervormde Deense vlag schrijven. De oogst bestaat uit wijsheden in de trant van : `To be Danish is to be born in Denmark', hier overigens gedebiteerd door een Australiër.

Het is duidelijk dat deze kunst niet om zijn esthetische waarde is uitgekozen. Je krijgt zelfs de indruk dat het kunstvoorwerp er helemaal niet toe doet. Het functioneert vooral als verpakking van goede bedoelingen en het vindt steun in de zekerheid dat het vanzelf betekenis krijgt omdat het zich in het museum bevindt. De selectie van de samenstellers lijkt daar op toegesneden. Waarschijnlijk hebben ze een lijst opgesteld van begrippen die te maken hebben met het idee van global city - identiteit, consumptiemaatschappij, ecologie - en daar kunstenaars bij gezocht.

Daar is niets tegen, in tegendeel, het samenbrengen van verschillende artistieke visies op een onderwerp kan juist onverwachte verbanden leggen. Maar een tentoonstelling gumt zichzelf uit als ideeën klakkeloos worden aanvaard omdat ze de gewenste goede bedoeling uitdrukken. Wat betekent het als een architect een ontwerp voor een `bioklimatische' wolkenkrabber voorlegt (Eco City), als dat neerkomt op een groot aantal taluds die beplant zijn met bomen en struiken? Toch niet meer dan een grap van architecten onderling?

Nee, dan biedt het filmpje van de Franse Anne Frémy oneindig veel meer inzicht in de ecologische problemen van een wereldstad. Zij laat zien hoe zeer het leven in Tokyo verweven is met de beleving van het water. Mensen in propvolle zwembaden, een kind onder de tuinslang midden op het trottoir, waterspelen, emmers die op straat worden leeggegooid: allemaal simpele, alledaagse tafereeltjes, maar zo gerangschikt dat een hele watercultuur zich voor je ogen ontvouwt.

En hoe treffend brengt de Zuidkoreaanse Soo-ja Kim niet het nomadische levensgevoel van de global stedeling in beeld. Je ziet alleen maar een laadbak vol met zakken van kleurige stof, bollend onder strak aangetrokken touwen, alsof ze met vodden zijn opgestopt. Er bovenop zit een in het zwart geklede vrouw met een lange vlecht. De twintig minuten die het filmpje duurt zien we uitsluitend haar rug en hoe ze zacht meedeint met de bonte lading als de auto de stad verlaat en langzaam als een logge os door een schitterend heuvelachtig landschap trekt.

Ik geef toe, dat is poëzie, en daar bouw je geen steden mee. Maar het is wel een manier om betekenis te geven aan de pogingen die mensen doen om in een onherbergzame omgeving te overleven. Je zou de architectuur dezelfde fijngevoeligheid toewensen.

Cities on the move 4; Louisiana Museum of Modern Art. Gl. Strandvej 13 DK -3050 Humblebaek. Tot 21 april. Dagelijks van 10.00 tot 17.00 uur. Woensdag tot 22.00 uur. Info: 0045-49190791. Internet: www. Louisiana.dk

Kunst heeft als ze goed is een röntgenachtig karakter