Burgeroorlog in de polder

In Alkmaar begon in 1573 de Victorie, al beseften de tijdgenoten dat nog niet. Er werd zwaar gevochten, geplunderd en gebrandschat. Een nieuwe historische studie beschrijft hoe burgers en boeren in deze rampspoedige tijden werden vermalen.

In de zomer van 1575 ging er een gerucht door Holland over een verijdeld verraad. Het waren de eerste, verschrikkelijke jaren van de Nederlandse Opstand. De strijd met de Spaanse troepen speelde zich niet, zoals in een latere fase van de Tachtigjarige Oorlog, af aan de grenzen van het huidige Nederland, maar vooral in Holland en Zeeland. Mechelen, Zutphen en Naarden waren platgebrand en uitgemoord. Haarlem was na een lang beleg gevallen, de soldaten van het garnizoen waren onthoofd en, toen de beulen van vermoeidheid niet meer konden, twee aan twee aan elkaar gebonden in het Haarlemmermeer verdronken. Weliswaar was het de koninklijke Spaanse troepen in 1573 en 1574 niet gelukt Alkmaar en Leiden te veroveren, maar het was de tijdgenoten beslist niet duidelijk dat daarmee de victorie was begonnen. Holland en Zeeland waren nog steeds oorlogsterrein. Steden en platteland hadden daaronder te lijden. Zij haatten de soldaten, van welk kamp dan ook, en elk middel om de oorlog tot een einde te brengen leek gerechtvaardigd. De steden die zich voor Willem van Oranje hadden verklaard, waren vaak niet geheel eensgezind tot die keuze gekomen. In 1573 en 1574 probeerden overstemde loyalistische facties in Haarlem, Gouda, Delft en Dordrecht hun steden door verraad alsnog in handen van de koninklijke troepen te brengen. Ook in Noord-Holland zou er verraad door Spaansgezinden in het spel zijn. Rondzwervende vagebonden werden opgepakt en tot een bekentenis gedwongen. Over deze episode en de pogingen tot rechtsherstel hierna handelt het zojuist verschenen boek van de Amsterdamse historicus Henk van Nierop Het verraad van het Noorderkwartier.

In mei 1575 trok de koninklijke stadhouder Hierges troepen samen in Beverwijk om het Noorderkwartier te onderwerpen. Hij beschikte over ruim vierduizend man, vooral Spaanse elitetroepen, aangevuld met Duitse en Waalse huurlingen. Noord-Holland ten noorden het nog niet ingepolderde IJ was toen een schiereiland. Het was stevig in handen van opstandelingen, die de handel van Amsterdam, dat nog trouw was aan de koning, blokkeerden. De streek was vergaand zelfvoorzienend en door zijn extreme waterrijkdom vrijwel onneembaar. Militaire operaties van enige omvang waren er onmogelijk en een vastberaden guerrillabeweging genoot er onbeperkte mogelijkheden. De opdracht van Hierges was dan ook niet de opstandelingen te verslaan, maar het platteland te verwoesten en het gebied zo voor hen onbruikbaar te maken. Deze plannen waren al ruim van te voren bekend geworden. Sonoy, Oranje's gouverneur in het Noorderkwartier, had zich teruggetrokken achter een goed versterkte waterlinie. De boerenbevolking was onder de wapenen geroepen om het gebied te helpen verdedigen.

Behalve over de naderende inval deden ook geruchten de ronde over verraad. Koningsgezinde elementen die zich in Amsterdam ophielden, zouden boeren hebben omgekocht om bij de nadering van de Spaanse troepen brand te stichten in de door de geuzen beheerste dorpen, om zo de verdedigers af te leiden. De verraders zouden zich voor het aansteken van de branden bedienen van vagebonden, die in deze oorlogsjaren in groten getale over het land zwierven. Zowel vanuit Amsterdam als uit de steden van het Noorderkwartier werd Sonoy gewaarschuwd. Hij nam onmiddellijk voorzorgsmaatregelen. Hij liet, nog juist voordat het leger van Hierges in het Noorderkwartier arriveerde, alle landlopers die afkomstig waren uit door de vijand beheerst gebied en die geen geldig paspoort konden tonen oppakken, twintig in getal.

Hierges merkte al spoedig dat hij met zijn te kleine en weinig gemotiveerde leger – de soldaten hadden al geruime tijd geen soldij ontvangen – niets kon uitrichten. Sonoy beheerste het terrein te goed. Uit balorigheid staken Spaanse soldaten een molen bij Schoorl in brand en kort daarop trok het leger zich onverrichterzake terug. De faliekante mislukking van de zo gevreesde invasie was voor de opstandelingen eenvoudig te verklaren: de brand in de molen, die in de wijde omtrek te zien geweest was, zag men als het teken waarop de door de verraders ingehuurde brandstichters in actie hadden moeten komen. Door de bijtijdse arrestatie van de vagebonden was deze opzet verijdeld, en de hele onderneming kansloos geworden.

Vanuit de vaste overtuiging dat er inderdaad verraad beraamd was stelde Oranje een onderzoekscommissie in die de aanstichters moest opsporen. De commissie onderwierp de opgepakte vagebonden aan een scherp verhoor, dat wil zeggen een verhoor met behulp van de pijnbank. Zij beschuldigden drie boeren die hen omgekocht zouden hebben. Vervolgens werden ook de boeren gemarteld, en zij wezen op hun beurt een aantal burgers uit de Noord-Hollandse steden aan, als de kopstukken achter het verraad. Gerechtelijke tortuur was in het onderzoek naar zware misdrijven toegestaan, maar er waren wel regels aan gesteld. In de verhoren van de onderzoekscommissie werd met deze regels vergaand de hand gelicht. Suggestieve vragen, valse beloften van vrijlating en meer dan gebruikelijke wreedheid leverden de gewenste bekentenissen op. Zowel de vagebonden als de boeren werden, in weerwil van de gedane toezeggingen, in het openbaar terechtgesteld. Ze verklaarden bij die gelegenheid tegenover de toegestroomde toeschouwers dat zijzelf noch degenen die zij beschuldigd hadden ook maar iets met verraad van doen hadden.

Het onderzoek liep stuk op de stedelingen die door de boeren als hun opdrachtgevers genoemd waren. Het burgerrecht gaf hun een zekere mate van rechtsbescherming. Burgers mochten alleen voor de schepenbank van hun eigen stad, door hun medeburgers berecht worden en konden ook niet alleen op verdenking gefolterd worden. De commissie oordeelde echter dat in geval van landverraad dergelijke privileges niet golden. De verdachten werden opgesloten in het kasteel van Schagen, en gedurende meer dan een jaar herhaaldelijk op de pijnbank gelegd. De hoofdverdachte, de katholieke Jan Jeroensz. uit Hoorn, was jurist en beschikte over invloedrijke connecties. Zij zetten zich voor hem in en protesteerden tot bij Oranje toe dat hier de privileges geschonden werden. Of dat uiteindelijk geholpen zou hebben moet een vraag blijven, want voordat het de commissie gelukt was ook de burgers een bekentenis af te dwingen werd het onderzoek in november 1576 gestaakt, na de afkondiging van de Pacificatie van Gent. De Pacificatie was een vredesverdrag tussen de koningsgetrouwe zuidelijke en de opstandige noordelijke provincies. Onderdeel van de vredesbepalingen was een algehele amnestie, waarbij alle vijandelijkheden over en weer vergeven en vergeten zouden worden, en alle krijgsgevangenen vrijgelaten. Deze regeling werd ook van toepassing geacht op de verdachten van het verraad van het Noorderkwartier, en zij werden uit hun gevangenis ontslagen.

De gevangenen zelf dachten daar anders over. Zij wilden niet vrijgelaten worden zonder dat hun eer en goede naam gezuiverd waren. Bovendien eisten zij schadevergoeding voor vrijheidsberoving en de verschrikkingen die hun tijdens de verhoren waren aangedaan. Nu begon een langdurige juridische touwtrekkerij. Jan Jeroensz. stelde een uitgebreid dossier samen met verklaringen van mensen die bij het geval betrokken waren geweest – en die ons nu nog een onthutsend beeld schetsen van de zestiende-eeuwse rechtsgang. Het lukte de beschuldigde burgers uiteindelijk hun naam te zuiveren in een civiel proces, waarbij hun onschuld bewezen geacht zou worden wanneer de tegenpartij het hun ten laste gelegde niet kon bewijzen. Het daarop aangespannen proces voor schadevergoeding lijkt verzand te zijn in procedurekwesties.

Het verraad van het Noorderkwartier is in de geschiedschrijving altijd omstreden geweest. Het gerechtelijk onderzoek was bepaald onregelmatig, en ondanks het gebruik van uitzonderlijk grof justitieel geweld kon de verdenking van verraad niet bewezen worden. Vooral dat geweld vormde een moeilijk verteerbaar punt voor de latere, nationalistische geschiedschrijving, die de Opstand beschouwde als de vrijheidsoorlog waaruit de Nederlandse staat geboren was. Het verraad van het Noorderkwartier werd een toetssteen voor het karakter van de jonge Republiek, waarop liberaal-protestantse en emancipatoir-katholieke interpretaties uiteenliepen. Voor de eerste was het een betreurenswaardig exces, voor de tweede een bewijs hoezeer de katholieken, geloofsgenoten van Jeroen Jansz., onder de Republiek verdrukt waren.

De Amsterdamse historicus Henk van Nierop ontdoet de kwestie in zijn boek van het propagandistisch gewaad waarin het in de geschiedschrijving altijd gehuld is gebleven en laat zien dat wat toen gebeurde niet wezenlijk verschilt van de oorlogsverschrikkingen die vandaag de dag via krant en televisie tot ons komen. Als een oorlogscorrespondent-achteraf schetst hij de wortels van het conflict, de omstandigheden van het gevechtsterrein en de karakters van de hoofdpersonen. De geschiedenis van het verraad wordt geplaatst tegen de zorgvuldig uitgewerkte, en volgens de nieuwste inzichten hervertelde, achtergrond van de eerste jaren van de Opstand. Daarbij heeft hij een, voor een zo ver verleden, verbijsterende hoeveelheid informatie weten te achterhalen over de situatie in het Noorderkwartier, een gebied dat in de aandacht van de geschiedschrijvers in vergelijking met Zuid-Holland en Zeeland wat karig bedeeld is gebleven. De Nederlandse Opstand is bij hem geen staaltje van patriottische heroïek. Het was een burgeroorlog waarin beide partijen tot grote wreedheid in staat waren. Van Nierop schildert de meedogenloosheid van de legeraanvoerders, die in koelen bloede hun troepen lieten plunderen, moorden en branden, en de weerloze boerenbevolking in het gebied dat onder hun controle stond dwongen hun manschappen te onderhouden. Hij laat ons delen in de klemmende dilemma's van stadsbestuurders die moesten kiezen tussen twee kwaden: de opstandelingen binnen laten en zich de toorn van de koning op de hals halen, of zich meteen overgeven aan zijn legeraanvoerder, die andere steden zonder pardon verwoest had. Hij roept de rauwe werkelijkheid op van de ontwrichting die deze oorlog allerwege teweeg bracht.

Naast de epische kwaliteiten van het verhaal zelf vraagt hij ook hernieuwde aandacht voor de vraag waarom het voor de negentiende-eeuwse geschiedschrijving al draaide, naar de plaats van het recht in de samenleving in oorlogs- en vredestijd. De goede afloop voor de gevangenen van Schagen brengt Van Nierop tot de troostrijke overtuiging dat ondanks alles in de Nederlandse Opstand de notie van het recht voor beide partijen heilig bleef. De onderzoekscommissie had zich door geruchten het hoofd op hol laten brengen en was een heksenjacht begonnen, waardoor onschuldigen mishandeld en gedood waren. Het recht was misbruikt, maar de schuldigen, al waren het prominente leden van de bestuurlijke elite, en al hadden zij op gezag van de hoogste autoriteiten gehandeld, werden uiteindelijk ter verantwoording geroepen. Deze notie van het rechtsbesef vormt voor de schrijver een centraal element in zijn uiteindelijke beoordeling van de Opstand, waaruit blijkt dat hij de liberaal-protestantse nationalistische traditie niet volledig heeft losgelaten.

Juist op dit punt overtuigt het boek niet echt. Wanneer de bekentenissen die de vagebonden en boeren in de mond gelegd waren een kern van waarheid hadden bevat, zou het proces dan anders gelopen zijn? Op het moment dat de celdeuren in het kasteel van Schagen openzwaaiden hadden de beschuldigde burgers niets meer te verliezen. Al waren het aartsverraders geweest, nu ze onder de tortuur hadden weten te zwijgen en de commissie er met al haar justitieel geweld en haar uitgebreide bevoegdheden niet in geslaagd was ander sluitend bewijs tegen hen te vinden, konden zij alleen maar winnen. Natuurlijk deden zij een beroep op het recht om eerherstel en schadevergoeding. Het was voor de autoriteiten uiteindelijk om het even of zij op grond van de Pacificatie amnestie zouden krijgen of dat hun naam op deze wijze gezuiverd werd. De leden van de onderzoekscommissie ondervonden daar geen nadelige consequenties van. Schadevergoeding kon via de ambtelijke molens eindeloos getraineerd worden. Stond het recht hier nu werkelijk boven de macht van wat politiek opportuun was? Of was het toch het recht van de sterkste?

Henk van Nierop: Het verraad van het Noorderkwartier. Oorlog, terreur en recht in de Nederlandse Opstand. Bert Bakker, 344 blz. ƒ59,90 (geb)/ƒ45,-(pbk)