Baas heeft 't verbruid

John van den Heuvel: De jacht op Desi Bouterse. Hoe het Suri-kartel de Nederlandse drugsmarkt veroverde. BZZTôH, 224 blz. ƒ29,50

Er waart, zo lijkt het wel, een spook door Nederland. Dat spook heet Desi Bouterse. En dat spook wordt nu eindelijk voor het Nederlandse gerecht gesleept. Helaas in absentia - daar is het ten slotte een spook voor. Als hij maar berecht wordt, ist het algemeen gevoelen, desnoods bij verstek.

Op 22 maart begint het proces tegen de Surinaamse Adviseur van Staat Desi Bouterse, alias `Bevel', `Baas', `Bouta'. De aandacht die dit, in de woorden van Bouterse, `schijnproces' krijgt in de Nederlandse media is overweldigend. Vrijwel algemeen zijn de media zeer gebeten op de voormalige militaire leider van Suriname. Net als de Nederlandse politiek.

Die weerzin tegen Bouterse heeft een lange voorgeschiedenis. In 1980 was de toen nog eenvoudige sergeant één van de plegers van een militaire staatsgreep. De coup werd aanvankelijk door velen in Nederland met begrip begroet, met het argument dat de Surinaamse politieke partijen toch maar een potje hadden gemaakt van de in 1975 verkregen onafhankelijkheid. Toen de militairen echter in december 1982, inmiddels onmiskenbaar onder leiding van Bouterse, vijftien prominente tegenstanders bruut vermoordden was het afgelopen met de sympathie. De voor Suriname essentiële ontwikkelingshulp werd direct opgeschort, en vanaf dat moment was het Nederlandse beleid er bovenal op gericht Bouterse uit het centrum van de macht te verwijderen en de democratie te herstellen.

Het eerste zou tot op heden niet lukken, het tweede min of meer wel. De ironie wilde echter dat Bouterse uiteindelijk juist via formeel democratische weg weer in het centrum van de macht terecht kwam, als voorzitter van de regerende Nationale Democratische Partij, en vervolgens dankzij de speciaal voor hem gecreëerde positie van Adviseur van Staat.

Nederland heeft het Bouterse nooit vergeven dat hij in de jaren tachtig de democratie in de voormalige kolonie de nek omdraaide. Wellicht dat we achteraf de wijze waarop Nederland in 1975 Suriname de onafhankelijkheid verleende moeten karakteriseren als onbezonnen, als onverantwoordelijk snel. Een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel voor de voormalige kolonie in de decennia na 1975 kan de Nederlandse politiek echter niet worden verweten. Eerder een tevéél daaraan. Juist vanaf 1980 was Nederland voortdurend in de weer de ontwikkelingen in Suriname te volgen, te becommentariëren, en waar mogelijk te beïnvloeden. Dat leverde wel enig succes op. Zo speelde Nederland onmiskenbaar een rol bij het herstel van de democratie in 1987, hoe fragiel die ook zou blijven. De bilaterale relaties bleven echter uitermate wisselvallig, en Suriname en Nederland gingen elkaar nooit als gewone landen beschouwen. Voor Suriname bleef Nederland met voorsprong het enige buitenland dat er écht toe doet. Voor Nederland bleef Suriname het enige land waar zijn buitenlandse beleid beslissend kan zijn. En zo zijn, bijna 25 jaar na de onafhankelijkheid, de bilaterale relaties altijd doortrokken gebleven van besognes uit de koloniale tijd.

Bakra's

Juist Bouterse heeft zich hieraan altijd onttrokken. Noodgedwongen, omdat zijn optreden, zeker sinds de alom met afschuw begroete decembermoorden, hem geen schijn van kans liet om ooit nog in Nederland salonfähig te worden. `Bevel' maakte van de nood een deugd en heeft zich, door vrijwel constant Nederland te tarten, bij een deel van de Surinamers populair gemaakt als die ene leider die steeds weer laat zien geen ontzag te hebben voor de bakra's met hun kwetsende bemoeizucht. Voor alle duidelijkheid: de meeste Surinamers zijn allerminst dol op Bouterse. Ook zij hebben echter ervaren dat alle openlijke Nederlandse afkeer van `de Baas' hem ogenschijnlijk niet deerde. De leeuw heeft nooit zijn tanden gebruikt.

Die wetenschap knaagt in de Nederlandse politiek. Hoe flink Nederland zich vaak ook heeft uitgesproken tegen de militairen en vooral tegen Bouterse, gestraft is `Bevel' niet voor de coup of de onder zijn leiding gepleegde moorden. Niet door Nederland, maar ook niet door het burgerlijk gezag in eigen land dat mede dankzij Nederlandse inspanningen vanaf 1987 weer in het wankele zadel werd geholpen. Berechting voor zijn politieke en militaire optreden zou - iets dat ten onrechte vaak wordt vergeten - primair een zaak zijn geweest van zijn landgenoten. De Surinamers zagen daartoe echter ook na 1987 kennelijk de noodzaak niet, of konden niet de moed verzamelen Bouterse op te brengen.

Nu het dan toch eindelijk tot een rechtszaak komt, gaat het om een zaak in Nederland. En niet om een zaak tegen de beul van de Surinaamse democratie, maar om ordinaire drugssmokkel en witwassen van crimineel geld.

In hun kort na elkaar verschenen boeken Baas Bouterse en De jacht op Desi Bouterse beschrijven de journalisten Marcel Haenen (NRC Handelsblad) en John van den Heuvel (De Telegraaf) allebei uitvoerig de voorgeschiedenis van deze rechtszaak. Hun verhaal is dat Bouterse vanaf de jaren tachtig, juist door de politieke luwte en economische crisis die de tijdelijke Nederlandse afwezigheid veroorzaakte, zijn militaire en politieke macht benutte om een uitermate lucratieve handel in drugs op te zetten. Colombiaanse drugskartels werden het land ingeloodst en de lange armen van Bouterse's criminele organisatie corrumpeerden niet slechts de Surinaamse staat, maar vergiftigden tot in Nederland de maatschappij met cocaïne, financiële malversaties en onvermijdelijk ook met de afrekeningen die bij dit milieu horen.

Bronnen

In hoeverre de zaak die het Openbaar Ministerie heeft voorbereid overtuigend is, zal het proces moeten leren. Haenen en Van der Heuvel zijn kennelijk al overtuigd van Bouterse's schuld. Beiden geven uitvoerige reconstructies van vermeende criminele praktijken, drugstransporten, en zo meer.

Tussen beide boeken zijn wel enkele verschillen aan te geven. Zo beschrijft Van den Heuvel uitvoeriger de achtergronden van Bouterse en de criminaliteit in dit deel van de wereld, terwijl Haenen wat gedetailleerder ingaat op de gerechtelijke stukken. Maar de overeenkomsten en zelfs overlap tussen beide vlot geschreven boeken springen meer in het oog. Beide auteurs hebben zich kennelijk tot doel gesteld vlak voor het begin van het lang verbeide proces een naslagwerk op de markt te brengen dat de lezer in staat stelt het proces tot in de details te volgen. En beiden zijn opmerkelijk discreet over hun bronnen, die het hen mogelijk maakten zó uitvoerig te rapporteren over, en zelfs te citeren uit, de processtukken.

Geconcludeerd kan in elk geval worden dat al vóór het proces begint veel op het oog zwaarwegende zaken op straat liggen. Uit beide boeken wordt bovendien glashelder dat vanuit politie en justitie al lang, en allengs ongeduldiger, is aangedrongen op een harde aanpak van Surinaamse drugshandelaars. Met kennelijk succes. Zo werd onlangs, eveneens bij verstek, Ronnie Brunswijk, tot acht jaar celstraf veroordeeld. Ooit was hij Bouterse's lijfwacht, vervolgens diens militaire opponent, en daarna volgens het vonnis drugssmokkelaar. Brunswijks veroordeling zal voor Bouterse ongetwijfeld een teken aan de wand zijn. Dat is het ook voor de Nederlandse boevenvangers: eindelijk, wordt in die kringen verzucht, worden de Surinaamse criminelen aangepakt. Nu de 'Baas' zelf nog, lijkt de gedachte.

Gedachte, of zelfs obsessie? Boeven horen natuurlijk achter de tralies, maar is er langzamerhand aan de zaak-Bouterse niet ook een heel andere dimensie gaan kleven, die inderdaad suggereert dat dit proces ook dient om de Nederlandse frustraties over de ongrijpbaarheid van 'Bevel' weg te nemen?Heeft Bouterse inderdaad niet de Nederlandse politieke wereld, en ook de media, zozeer getergd dat gaandeweg elke terughoudendheid is weggesmolten, en sinds enige jaren slechts het doel 'Bouta moet gepakt' nog tot de verbeelding spreekt? Het lijkt er wel op.

Opsporingsbevel

De omslag naar deze houding is vrij precies te traceren. In 1995 klaagde onderzoeksleider Van der Voort voor de IRT-enquêtecommissie nog onomwonden dat het onderzoek van zijn COPA-team (Colombia-Paramaribo) van hogerhand werd gedwarsboomd. om politieke redenen. Buitenlandse Zaken was de boosdoener en het onderzoek leek een `krankzinnige' opgave te zijn geworden. Inmiddels ging, mede onder invloed van de enquête, in Nederland juist het gevoel overheersen dat de internationale criminaliteit eindelijk hard moest worden aangepakt. In die context konden diplomatieke besognes op steeds minder begrip rekenen. Het COPA-team kreeg alsnog het groene licht en wist een omvangrijk onderzoek tot voltooiing te brengen. Gedurende deze jaren van onderzoek kwam ook de pers, zeker NRC Handelsblad (Haenen) en de Telegraaf (Van den Heuvel), voortdurend met nieuwe onthullingen. Het had er alle schijn van dat het COPA-team nauw samenwerkte met Nederlandse media, onder het motto 'waar wachten we nog op?' Daarmee verloren de diplomatieke overwegingen van Buitenlandse Zaken, waar werd gepleit voor enige terughoudendheid, steeds meer aan gewicht.

En zo kwam daar de zomer van 1997. De zaak was volgens het Openbaar Ministerie rond, er was een internationaal opsporingsbevel uitgevaardigd. Bouterse werd in Brazilië gesignaleerd, maar op aandringen van minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) zag zijn collega Sorgrdrager (Justitie) op het laatste moment af van het verzoek aan Brazilië om de verdachte aan te houden. De verontwaardiging in het Nederlandse justitiële apparaat was groot, en zo ook in een deel van de media en politiek. De zaak werd zo hoog gespeeld dat er even sprake leek van een crisis in Paars-I. Het feit dat vanuit het kabinet werd betoogd dat de kwestie niets met politiek te maken had, maakte een en ander extra bizar. Het meest onthutsend waren echter niet de breed geëtaleerde Haagse emoties, maar het feit dat in het kabinet kennelijk geen enkele afstemming was geweest tussen de ministers. Zo was men naar die rare situatie toegedobberd, waarvan men toch lang tevoren had kunnen uitrekenen dat die zich eens zou aandienen.

Kabinet-Kok

In deze context lijkt Kok-I geen duidelijke strategie te hebben gevolgd, hetgeen de gehele regeringsploeg kan worden aangerekend. Van Mierlo verdient enige rehabilitatie, inzoverre dat het onbegrijpelijk voorkomt waarom het politiek niet meer geoorloofd was hardop de vraag te stellen naar de opportuniteit van het aanhouden en berechten van Bouterse. Hoe aantrekkelijk is het vooruitzicht van `Bevel' in de Bijlmerbajes nu werkelijk, afgezien van de voldoening die het de boevenvangers mag geven? Die vraag is wel erg gemakkelijk van tafel geveegd, ook door de pers; ook door Haenen en Van den Heuvel, die zich de afgelopen jaren evenzeer als reporters als spelers in dit politieke-justitiële steekspel hebben opgesteld.

Inmiddels start het proces volgende week in afwezigheid van de verdachte. Laten we uitgaan van de mogelijkheid dat de zaak hard wordt gemaakt en dat Bouterse bij verstek wordt veroordeeld. Daarmee zou dan het justitiële streven half zijn beloond (wel veroordeling, geen detentie), maar het diplomatieke streven óók (Bouterse niet geheel onschadelijk, maar wel ernstig beschadigd, en daarom waarschijnlijk een beslissende stap verder verwijderd van het ooit door hem begeerde presidentschap). En dat alles zonder het onaantrekkelijke vooruitzicht van een langdurig verblijf van `Baas' in een Nederlandse gevangenis, met alle mogelijke binnenlandse complicaties vandien.

Het vooruitzicht dat Bouterse nu een zware klap wordt uitgedeeld leidt inmiddels in Suriname al tot een groeiend isolement van de Adviseur van Staat, en zelfs in zijn eigen NDP tot openlijke rebellie. Gezien het oude Nederlandse verlangen Bouterse uit het veld te spelen lijkt het huidige scenario daarom buitengewoon gunstig. Het zou aardig zijn hierin de uitkomst te bespeuren van een slimme strategie - maar het lijkt erop dat deze uitkomst eerder het min of meer toevallige, en voorlopige, resultaat is van een `beleid' waarin niet regie maar improvisatie heeft gedomineerd. Dat is misschien een aardig thema voor een volgend boek van Haenen of Van den Heuvel. Waarschijnlijk zal echter over deze geschiedenis in het Haagse politieke en ambtelijke milieu minder gretig worden gelekt dan eerder kennelijk gebeurde.

Marcel Haenen: Baas Bouterse. De krankzinnige klopjacht op het Surinaamse drugskartel. Balans, 176 blz. ƒ27,50