Allochtonen slikken meeste medicijnen

Allochtonen zijn niet ongezonder dan mensen van Nederlandse afkomst, maar slikken meer medicijnen, zo blijkt uit onderzoek. Daarnaast gebruiken vooral 75-plussers er veel.

Allochtonen van Turkse en Marokkaanse afkomst en autochtonen van boven de 75 jaar zijn de grootste consumenten van medicijnen. Hoewel ze even gezond zijn als autochtonen, slikken Marokkanen en vooral Turken niet alleen aanzienlijk meer, ze gaan ook eerder en vaker naar huisarts en specialist. Het zijn vooral de cultureel bepaalde, grote waardering voor het krijgen van medicijnen en de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal die de consumptie van geneesmiddelen opdrijven.

Dit blijkt uit onderzoeken die het Sociaal en Cultureel Planbureau (in de deze week gepubliceerde Rapportage ouderen 1998) en het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (in het Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen) hebben gepubliceerd. Volgens onderzoekers van het SCP weten de minderheden hun weg in de Nederlandse gezondheidszorg uitstekend te vinden. Op elke leeftijd zijn ze veel eerder en vaker dan Nederlanders te vinden bij huisarts, medisch specialist en in het ziekenhuis. ,,Er is eerder sprake van over- dan van onderconsumptie'', aldus de onderzoekers.

Er is een uitzondering: de tandarts. Daar komen Turken veel minder vaak dan autochtonen. Ook Marokkanen komen er minder, maar weer meer dan Turken. De onderzoekers laten in het midden of dit lagere tandartsbezoek wordt ingegeven door angst voor pijn. Wel gebruiken met name Turken ruim vier keer zo veel pijnstillers als Nederlanders - en mogelijk mede als gevolg daarvan zo'n drie keer zo veel medicijnen tegen maag- en darmklachten.

Mensen die tot een etnische minderheid behoren melden zelf veel vaker dan Nederlanders dat ze niet gezond zijn. De meeste onderzoeken over de gezondheidstoestand van minderheden baseren zich ook op deze subjectieve opvatting. Wanneer daadwerkelijk geconstateerde aandoeningen bij de verschillende bevolkingsgroepen als maat worden genomen blijft er van die uitkomst weinig meer over, aldus het SCP. Volgens de onderzoekers kan dit komen doordat Turken en Marokkanen vaak met klachten bij de dokter komen die ,,voor een deel wellicht ook een uitdrukking vormen van een meer algemeen onwelbevinden en ongenoegen''.

Daar wringt volgens onderzoekers van het Nivel voor een deel ook de schoen. Zij constateerden eind vorig jaar in een analyse van een al wat oudere studie dat de huisarts door de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal bij veel Turken en Marokkanen nauwelijks een `therapeutisch' gesprek met hen kan hebben. Geruststelling is dus moeilijk. Ook blijkt de huisarts met name bij Turken moeilijk een afwachtend beleid (`laten we de zaak nog eens een weekje aanzien, als het dan nog niet over is moet u terugkomen') te kunnen voeren. De arts schrijft veel vaker een geneesmiddel voor dan hij bij Nederlandse patiënten doet, ook al omdat hij vermoedt dat hij daarmee aan de verwachtingen van zijn patiënten voldoet. Niet ten onrechte, aldus de onderzoekers. ,,Vooral oudere migranten verwachten medicijnen voorgeschreven te krijgen.''

Uit de SCP-rapportage blijkt dat ook ouderen van Turkse en Marokkaanse afkomst ten minste zo'n anderhalf keer zoveel medicijnen gebruiken als autochtone 55-plussers, De onderzoekers hebben zich daarbij beperkt tot de groep 55-64 jarigen. Er zijn (nog) te weinig allochtone 65-plussers om een betrouwbare vergelijking met autochtone leeftijdsgenoten te kunnen maken. Juist bij die oudere categorie, en dan vooral onder 75-plussers, wordt het medicijngebruik aanzienlijk, zo blijkt ook uit het concept van een analyse die ambtenaren op het ministerie van Volksgezondheid hebben gemaakt. Het maakt daarbij nogal uit waar de 75-plusser verblijft: zo gebruikt een kwart van de ouderen die zelfstandig woont (en dat doet ruim 80 procent van de 75-plussers) in het geheel geen medicijnen. In het verzorgingshuis doet slechts 12 procent dit niet en van de in een verpleeghuis verblijvende 75-plussers bijna 10 procent. Met enige slagen om de arm, want de cijfers van vooral de kosten van de geneesmiddelen die in het verzorgingshuis worden verstrekt zijn niet landelijk verzameld, wordt geconstateerd dat de kosten van de medicijnen die een 75-plusser in een verzorgingshuis krijgt bijna twee keer zo hoog zijn als die de zelfstandig wonende leeftijdsgenoot (en anderhalf keer zoveel als in het verpleeghuis). Slikt de 75-minner gemiddeld voor 328 gulden aan medicijnen die hij uit de stadsapotheek betrekt, voor de zelfstandig wonende 75-plusser is dat 1.164 gulden. In het verzorgingshuis is dat 1.920 gulden.

De analyse moet dienen om de medicijnverstrekking in de verzorgingshuizen aan een maximumbedrag te kunnen binden. Door verzorgingshuizen op die manier mede verantwoordelijk te maken voor de hoeveelheid verstrekte medicijnen wordt ook een kwaliteitsverbetering verwacht. Op dit moment krijgt een derde van de ouderen vier of meer geneesmiddelen tegelijk, in de verzorgingshuizen slikt de `gemiddelde' oudere bijna vier (3,8) verschillende geneesmiddelen. Bij een derde van de ouderen is verkeerd geneesmiddelengebruik vastgesteld: de medicijnen worden te lang of in een te hoge dosering voorgeschreven of de medicijnen werken elkaar tegen. ,,Ouderen nemen dan ook een onevenredig groot deel van de zeker zeshonderd doden die jaarlijks het directe gevolg zijn van verkeerd medicijnengebruik voor hun rekening'', zo concludeert de analyse.