Alles wat week is blijkt weerloos

Zoals de leeuw de koning der dieren is, zo is tegenwoordig de roman de koning in het land der letteren. En hij gedraagt zich tegenover de andere genres ook zoals de leeuw in de fabel, die na een gezamenlijke jachtpartij de buit in vieren verdeelt:

Als koning krijg ik uiteraard het eerste stuk.

Het tweede ook: de jacht was zonder mij mislukt.

Het derde is een blijk van eerbied voor mijn kracht.

Wie aan de vierde portie komt wordt afgeslacht.

De andere deelnemers (een koe, een geit en een schaap) hebben dus het nakijken. En zo vergaat het ook alle genres die door de allesoverheersende positie van de roman een beetje in de marge weggedrukt worden.

Neem bijvoorbeeld de fabel, waarvan je toch zou kunnen denken dat die, als toonbeeld van beknoptheid, in deze snelle tijd goed in de markt zou moeten liggen. Maar nee: wie zich wil amuseren met het stille leed dat in talloze burelen wordt geleden, heeft aan de ruim vijfduizend bladzijden van Het Bureau nauwelijks genoeg - ook al zou een goede fabeldichter het in een halve pagina kunnen samenvatten.

Toch is het goed denkbaar dat de fabel ook de roman nog wel zal overleven. Het is niet alleen een oeroud, maar ook een heel vitaal genre. Vierduizend jaar geleden werden er in het Midden-Oosten al fabels verteld, en sinds ze via Griekenland en Rome in onze literatuur terecht zijn gekomen, verschenen er door de eeuwen heen steeds nieuwe bundels, zoals onder andere de middelnederlandse Esopet. Cats en Vondel hebben er geschreven, La Fontaine is er wereldberoemd mee geworden, en in de Russische literatuur zijn de fabels van Krylov een begrip. En nog altijd worden er van tijd tot tijd nieuwe geschreven. Ik denk bijvoorbeeld aan de fabels van Leo Vroman (`Het vrijpostige virusdeeltje Gijs' duikt nog geregeld in mijn herinnering op en bezorgt mij dan steevast een vrolijk moment).

Maar wie `fabel' zegt, denkt natuurlijk in de eerste plaats aan Aesopus, de legendarische fabeldichter uit de zesde eeuw voor Christus, aan wie de meeste Griekse fabels werden toegeschreven. Hij was zeker niet de eerste - bij Hesiodus en Archilochus zijn er ook al te vinden - maar niettemin is hij zoiets als de Godfather van het genre geworden.

In 1997 verscheen bij de SUN een klein, maar zeer instructief boekje: Fabels van Aisopos. Hierin is een vertaalde selectie te vinden uit de bijna vijfhonderd fabels die op zijn naam zijn overgeleverd. En wel in hun oorspronkelijke prozavorm, zoals ze verzameld werden door onder anderen Demetrios van Faleron. Met een voorwoord van de vertaler (Hein van Dolen) en een Nawoord van Gert-Jan van Dijk geeft het een boeiend inzicht in de geschiedenis van de fabel.

Aesopus, of Aisopos, was een slaaf die eigendom geweest zou zijn van onder andere de wijsgeer Xanthos. Zelf heeft hij overigens nooit een fabel op schrift gesteld: pas een paar eeuwen later verscheen de eerste bundel `Aisopische fabels', in proza. Maar hij was kennelijk zo beroemd dat de talrijke legenden die over hem in omloop waren rond het begin van de jaartelling werden verzameld in de zogenaamde `Aisoposroman'. Hij zou gezworven hebben tot in Babylonië en Egypte, moet oerlelijk geweest zijn, een bultenaar en een stotteraar - maar wel buitengewoon slim en scherpzinnig.

Ambitie

In hoeverre het leven van Aisopos zelf een fabeltje is, valt niet meer vast te stellen. Wèl dat hij zelf in heel wat fabels optreedt. Bijvoorbeeld in de Fabels van Phaedrus - merkwaardigerwijs ook een slaaf van Griekse afkomst, die dienst deed aan het hof van keizer Augustus.

De Fabels van Phaedrus zijn nu in een nieuwe vertaling van John Nagelkerken verschenen in de befaamde klassiekenreeks van Atheneum Polak & Van Gennep. Deze Phaedrus was de eerste die de fabels in versvorm presenteerde en duidelijk literaire pretenties had. Dankzij hem en Babrios, die bijna een eeuw later schreef, is de fabel een literair genre geworden.

Erg veel roem heeft Phaedrus er niet mee geoogst; in zijn eigen tijd en de eeuwen daarna wordt hij nauwelijks vermeld. Populair werd het genre pas door Babrios' fabels. Pas in de vijfde eeuw wordt Phaedrus met name genoemd door Avianus, die ook een bundel fabels publiceerde. En hij moest nog ruim duizend jaar wachten, voordat in 1596 zijn fabels in versvorm weer onder zijn naam verschenen.

Phaedrus putte uit de bekende Aesopische fabels, die hij in zesvoetige jamben berijmde, en voegde er zelf nieuwe aan toe. Met het zelfbewustzijn van een ambitieuze dichter maakt hij nadrukkelijk onderscheid tussen fabels `van Aesopus' en `Aesopische' fabels: Daar u mijn fabels apprecieert, Particulo(Die ik niet `van Aesopus', maar Aesopisch' noem, hij heeft summier de weg gewezen naar mijn roem, zijn snoer heb ik met nieuwe parels uitgebreid)vul ik nu met een vierde boek uw vrije tijd.

Particulo was een van zijn beschermheren. Wel vaker slaat Phaedrus zichzelf op de borst en laat hij zich vinnig uit over zijn critici. Maar dat verhindert hem niet om eigenroem te laken, zoals in `Aesopus en de schrijver':

Een man droeg voor Aesopus eens zijn schrijfsels voor

daarbij prees hij zeer ongepast

zichzelf aldoor Hij wilde weten wat de grijsaard ervan vond en sprak: `Mijn trots is volgens u toch ook gegrond? Ik heb met recht geloof in eigen kwaliteit.'Aesopus knapte af op zoveel knulligheid

en zei: `Ik vind het fijn dat je jezelf zo prijst; nu krijg je toch de eer die niemand je bewijst.'

Uit dit voorbeeld blijkt ook dat lang niet al zijn fabels over dieren gaan. Het is een oud misverstand dat in fabels altijd dieren optreden; ze gaan ook vaak over mensen en goden. Het zijn anekdoten die op een puntige manier een bepaalde vorm van gedrag illustreren en van commentaar voorzien.

Toch moet gezegd dat de dierenfabels vaak de aardigste zijn, al was het maar omdat bepaalde menselijke eigenschappen (zoals kracht, domheid, ijdelheid, slimheid) zich treffend laten verbeelden in sommige dieren. (Of dat die dieren recht doet is weer een andere vraag.)

Dat zowel Aisopos als Phaedrus vrijgelaten slaven waren mag toeval zijn - een feit is wel dat uit hun oude fabels een realistisch besef van machtsverhoudingen spreekt. Heel veel fabels laten zien dat het van levensbelang is, je plaats te kennen en je mogelijkheden niet te overschatten. In die zin is het een genre dat inderdaad in de levenservaring van ondergeschikten geworteld lijkt. Maar tegelijkertijd toont het ook de mogelijkheden van scherpzinnigheid en slimheid: wie niet sterk is moet slim zijn - dat wordt in veel fabels aangetoond. (Wat dat betreft is de vos van oudsher de grote held. Zozeer dat dit personage het krappe jasje van de fabel zelfs ontgroeide en epische allures kreeg in de gestalte van Reinaert).

Satire

De fabel zelf kan ook gelden als een uiting van die overlevingskunst: het is een voertuig van satire en geestige kritiek voor wie niet in de positie verkeerden om openlijk kritiek te leveren. Phaedrus zelf brengt het ontstaan van de fabel ook in verband met het slavenbestaan:

Ik zal nu kort uiteenzetten in welk verband de fabel is ontstaan. Omdat de slavenstand

nooit vrijuit over zijn ellende spreken dorst

heeft hij tot troost zijn hart in fabels uitgestort

en met verzonnen grapjes de censuur misleid.

Opvallend in de fabels van Phaedrus is de geest van achterdocht en wantrouwen tegenover machtigen, die eruit spreekt. `De wolf en het lam' is een goed voorbeeld: daarin verzint de wolf allerlei drogredenen om een lam te grazen te nemen. Het lam weerlegt ze een voor een, maar tevergeefs: het wordt toch opgevreten. Waarna Phaedrus besluit:

Wie zich aan weerlozen vergrijpt uit machtswellust

vindt altijd wel een smoes die zijn

geweten sust.

De meeste fabels getuigen van een scherp inzicht in de egoïstische motieven van mensen, en drijven er ook vaak de spot mee. Maar meer nog dan egoïsme en onrecht worden ijdelheid en domheid op de hak genomen. Zoals bijvoorbeeld in de fabel `De mier en de vlieg', of in `De vos en de bok', waarin een vos die in een put gevangen zit een bok erin lokt, om er, met diens rug als opstapje, zelf uit te kunnen springen.

Eerlijkheid en rechtvaardigheid zijn mooi, maar vertrouw nooit iemand die sterker of slimmer is dan jij. Het leven is in de fabel vaak een kwestie van overleven. Dat levert geen hoogstaande moraal op misschien, maar wel een uiterst nuttige voor wie zich staande moet zien te houden in een vijandige wereld. Vaak bestaat de handeling uit de omkering van een machtsverhouding: de bedrieger bedrogen, de slimme die van de sterke wint, enzovoort.

De charme van de fabel schuilt vooral in de beknopte verbeelding van een situatie die de kracht van een demonstratie krijgt. In de fabels die hijzelf bedenkt, laat Phaedrus de moraal nogal eens zwaarder wegen dan de beeldende kracht van de anekdote. Dat zijn niet de beste, te meer omdat zijn moraal nogal eens braaf uitvalt. Met name in de latere boeken, waar de dierenfabels ook schaarser worden, valt dat soms op.

Dat moralistische karakter van fabels verklaart misschien ook waarom ze tegenwoordig niet zo populair meer zijn. Wij laten ons, eigenwijs als we zijn, niet graag meer beleren. (Je kunt er overigens donder op zeggen dat ergens een fabel te vinden is die demonstreert hoezeer die eigenwijsheid je op kan breken.) Maar een moderne fabeldichter als Leo Vroman bewijst dat die moraal even eigenwijs en grappig kan zijn als de fabels die hij vertelt.

Het is verrassend om te zien dat veel spreekwoordelijke uitdrukkingen die in ons taalgebruik zijn opgenomen uit oude fabels afkomstig zijn. De uitdrukking `de druiven zijn zuur' bijvoorbeeld, blijkt te herleiden tot een fabel van Aisopos (`De vos en de druiven'), net als `de kip met de gouden eieren'. Bij Phaedrus vinden we de bron van de uitdrukking `met andermans veren pronken' in de fabel `De arrogante kraai en de pauw'. En ook `de berg die een muis baart' is bij hem al te vinden.

Sterrenwichelaar

Meer dan enig ander literair genre lijkt de fabel dus te hebben bijgedragen aan de spreekwoordelijke en metaforische rijkdom van de taal. Dat is geen geringe verdienste. Een moderne dichter als Francis Ponge, groot bewonderaar van La Fontaine, zag het dan ook als de ultieme opgave van de dichter om de dingen zo te formuleren dat ze als nieuwe spreekwoorden of gemeenplaatsen in de taal zouden worden opgenomen.

Zelfs de beroemde anekdote die Diogenes Laërtius vertelde over de filosoof Thales blijkt al terug te vinden in Aisopos' fabel over de sterrenwichelaar die in een put valt omdat hij alleen maar oog heeft voor de sterrenhemel.

Deze opvallende bruikbaarheid en houdbaarheid van beelden en anekdotes uit de fabelliteratuur staat in schril contrast met de bederflijkheid van het soort literaire hoogstandjes waaraan wij ons plegen te vergapen - en die, laten we het maar toegeven, meestal na één generatie hun glans al verloren hebben. Een mooi onderwerp voor een fabel, trouwens.

Die fabuleuze levensduur heeft ongetwijfeld veel te maken met het feit dat fabels al van oudsher populair waren in het onderwijs: bij de oude Grieken werden ze gebruikt als oefenstof in de retorenscholen, en eigenlijk is dat door de eeuwen heen zo gebleven. In een recent verschenen boekje, Kikkers, muizen & nieskruid, doet Arie van den Berg verslag van een bibliofiele speurtocht die hem op het spoor brengt van allerlei boekjes met Aesopische fabels en prenten die tussen de zestiende en twintigste eeuw in Nederland werden uitgegeven. Daaruit blijkt duidelijk hoe wijd verbreid en populair ze waren.

Een groot dichter was Phaedrus niet, maar veel van zijn fabels zijn nog altijd aardig om te lezen: ze zijn met de nodige puntigheid geformuleerd en vaak vermakelijk.

Een vergelijking van Nagelkerkens vertaling met Phaedrus' Aesopische fabels van Johan van Nieuwenhuizen uit 1964 is niet goed mogelijk, omdat dat een bewerking was van een eerdere vertaling. In diens nieuwe berijming, hoe aardig ook, waren Phaedrus' fabels wel erg op die van La Fontaine gaan lijken. Daarom is het goed dat er een nieuwe vertaling beschikbaar is. Wie daarnaast ook de SUN-uitgave van de Fabels van Aisopos leest, krijgt een goed beeld van dit oude genre. Voor wie de smaak te pakken krijgt, is momenteel een recente vertaling van de fabels van La Fontaine her en der in de ramsj te vinden.

Phaedrus: Fabels. Uit het Latijn vertaald door John Nagelkerken. Atheneum Polak & Van Gennep, 196 blz. ƒ62,90

Aisopos: Fabels. Uit het Grieks vertaald door Hein L. van Dolen en Jo Fiedeldij Dop. SUN, 111 blz. ƒ19,95

Arie van den Berg: Kikkers, muizen & nieskruid. Uit het logboek van een letterschuier. Eerste deel in de serie `De kunst van kennis'. Amsterdam University Press, 35 blz. ƒ19,50