Zeep en condooms uit de zeeklei

Over scheepswrakken zijn zoveel strips, jeugdboeken en films verschenen dat het een genre op zich vormt. Scheepswrakken spreken tot de verbeelding: ze doen dagdromen over verborgen schatten en spectaculaire vondsten en ze zijn een belangrijke, historische bron van informatie. In de Middellandse Zee, een compleet scheepskerkhof, liggen ruim dertienhonderd scheepswrakken uit de oudheid te wachten op onderzoek. Alleen al tussen Sicilië en Tunesië heeft de Amerikaanse onderzoeker Robert Ballard twee jaar geleden negen wrakken ontdekt, waarvan vier uit de Romeinse tijd.

Ballard was ook degene die het wrak van de Titanic op het spoor kwam. Door trips naar het schip te organiseren dachten touroperators een fortuin te verdienen. Om in een kleine onderzeeër twee tot drie uur rond het wrak te cirkelen moest 65.000 gulden worden neergeteld. Geïnteresseerden meldden zich al snel, maar het plan werd gedwarsboomd door RMS Titanic Inc., het bedrijf dat de bergings- en beeldrechten op het schip bezit. Het bedrijf uit New York verdient geld aan de verkoop van foto's van de Titanic en maakte zich zorgen dat toeristen het schip gingen filmen en fotograferen om vervolgens de opnames te verkopen.

Ook de bodem van de Nederlandse wateren ligt bezaaid met wrakken. Een flink scheepskerkhof is de Westerschelde, een van de drukst bevaren zeearmen ter wereld en toegangspoort naar Antwerpen. Tegenwoordig zorgt een verkeerscentrale ervoor dat de Westerschelde één van de best beveiligde rivieren ter wereld is. Maar voorheen strandden er regelmatig schepen omdat de bochtige vaargeul van de Westerschelde moeilijk te bevaren is. De stroming is verraderlijk en er liggen gevaarlijke zandbanken.

Vorig jaar is Rijkswaterstaat Zeeland begonnen met het bergen van ongeveer zestig wrakken en wrakresten uit de periode van ongeveer 1850 tot 1960. De berging is onderwerp van een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Vlissingen. De wrakken die in de loop der tijd in de rivierbodem zijn ingebed moeten worden opgeruimd omdat de vaargeul van de Westerschelde niet diep genoeg was voor grote, moderne schepen. Bovendien zijn tal van vaartuigen afhankelijk van het getij om in de haven van Antwerpen te komen. Dat betekent lange en dus kostbare wachttijden plus een verhoogde kans op aanvaringen. Om aan deze situatie een einde te maken, sloten Nederland en Vlaanderen in 1995 een verdrag. Overeengekomen werd dat de vaargeul van de rivier verruimd zou worden volgens het zogenaamde 48'/43'/38'programma. Schepen met een diepgang van 48 voet (14,65 meter) moeten in één getij naar Antwerpen kunnen varen en exemplaren met een diepgang van 43 voet (13,10 meter) dienen vanuit de havens in één getij de zee te kunnen bereiken. Schepen met een diepgang van 38 voet (11,60 meter) moeten onafhankelijk van het getij kunnen varen. Doel is de spreiding van het scheepvaartverkeer te bevorderen en de kans op aanvaringen te verkleinen.

Negen kleinere wrakken en twee grotere zijn inmiddels geruimd. Twee schepen die uit de Westerschelde werden opgediept waren verrassingen. Aanvankelijk dachten de bergers dat ze te maken hadden met binnenvaartschepen. Nader onderzoek bracht echter aan het licht dat het twee Duitse oorlogsschepen betrof. Vrachtschip Fort Maisonneuve, gezonken in 1944, is in de bodem van de Westerschelde goed geconserveerd gebleven. Bij de berging kwamen tientallen granaten boven water, die door de Koninklijke Marine onschadelijk zijn gemaakt.

De voorwerpen die met het bergen van de wrakken naar boven zijn gekomen, zijn naar het Stedelijk Museum in Vlissingen gebracht. Foto's, documenten en een korte film laten zien hoe de wrakopruiming verloopt. De operatie duurt nog vijf jaar en de tentoonstelling zal dan ook steeds worden aangevuld met nieuwe vondsten.

Op de expositie zijn helmen, laarzen, jassen, geweren en serviesgoed van Duitse makelij te zien. Er staan scheepsonderdelen zoals een anker, een boegschroef en kettingen. Maar ook een versteend zeepje, een kompas en een scheepskist en een deel van een fornuis. Een opmerkelijke vondst is een tweetal condooms: luchtdicht afgesloten in de Zeeuwse klei zijn ze in redelijk goede staat bewaard gebleven.

Een dame die ooit schipbreuk op de Westerschelde heeft geleden, kon worden achterhaald aan de hand van het naambordje van een schip. Als jong meisje overleefde zij met haar vader het ongeval, maar verloor haar moeder. Haar kinderschoentje en een plastic popje zonder hoofd liggen nu in het museum.