Trou moet blijcken

Florentijns Jongensportret

Olijf-vaal had de zetter er van gemaakt, bij de eerste druk van dit gedicht. Nijhoff was er nogal onthutst over. Het is altijd vervelend als een gedicht al begint met het verkeerde woord. Maar het moet hem ook hebben gestoken dat de vergelijking met de vorm verloren was gegaan, terwijl vorm in dit gedicht toch geen onbelangrijke rol speelt. Niet om de vale kleur van een olijf, maar om de ovalen vorm van een olijf ging het. Ooo-lijf, ooo-vaal, je hebt met de beide o's ook meteen de ogen in het koele, gladde gezicht.

Er staan twee gedurfde, maar indrukwekkende enjambementen in de eerste helft van dit gedicht, het

met van de olijf ook mede

en enkele regels verderop het tweede. Met koorddansen en beweging wordt zoiets statisch als een portret neergezet. De wind door het haar, de uit elkaar losgesneden ogen, de boodschapper die van het haar via het oor naar de mond `beneden' gaat, de dauw die over de kin trekt – er worden voortdurend lijnen getrokken die het ongenaakbare, de steenharde koelte, zo intens mogelijk willen aanraken.

Het heeft iets episch en, ondanks de beweging, iets van grote stilstand. Ik kan – dit terzijde – nooit zo goed wennen aan de achtste regel. Ik weet dat daar staat: geen tweede dauw heeft ooit druiven zó betogen als ze hier zijn kin be-be, ja be-wat? Wat is de tegenwoordige tijd van betogen? Betiën, lees ik in Van Dale. Hemel. Ik wéét dus dat daar staat: geen tweede dauw heeft ooit druiven zó betogen als ze hier zijn kin betiet. Toch lees ik onwillekeurig steeds weer: geen tweede dauw heeft ooit zulke druiven zoals zijn kin betogen. Die voorstelling van een kin als een stel druiven stoort me. Zodra ik me weer heb vermand besef ik: hier is het klassieke portret geschilderd van de jongen zonder genade.

De tweede helft van het sonnet is louter incantatie. Het slepende, bewegende rijm bij het gestolde portret maakt plaats voor staand rijm: er moet iets bezworen worden. De strengheid van het beeld vloeit over in de strengheid van de bezweerder. Het is niet de enige wijziging van perspectief. De unieke persoon wordt het universum, het portret wordt de natuur, de bepaaldheid wordt het ongebaande pad, het ideaalbeeld wordt de maatschappij. Van dunne bogen naar zware stroom – het gaat van introvert naar extrovert, van aanraking naar heerschappij. In de eerste helft van het sonnet bewoog de beschrijver. In de tweede helft beweegt het beschrevene. De ezel zwoegt, de vrouw hurkt.

Voor ú buigt de rivier zich door de stad;

voor ú, in wijn en brood, stremt de natuur

haar zware stroom

– we zijn van het portret, dat op een voorgeschiedenis en een verleden duidt, rechtstreeks beland in het harde heden. Het moet om een historische actualiteit gaan, beseffen we. De laatste zes regels slaan op het ongeschilderde deel van een en hetzelfde portret. Het verleden en het nu, wat we zien en wat we zouden moeten zien – zoals vaker bij Nijhoff loopt het knap door elkaar.

Er hangt een schaduw over de zwoegende ezel, het ongebaande pad en de hurkende vrouw. In de slotregel is ineens sprake van ouderdom, armoede en donkerte. Maar ze zijn opgenomen in één majesteit met de zich willig buigende rivier en de dienstbaar pauzerende natuur. Zowel de vruchtbaarheid als het zweet maken deel uit van het paradijs. Nog één keer duikt de jongen op, als aangesprokene –

en 't is alleen opdat

gij zorgloos zwoegt, een hand in uw ceintuur

– een onmiskenbare heersershouding. Bij hem is alles weldaad – wijn, olijven, brood en honing (als we de mede uit de eerste regel tenminste meerekenen). We staan tegenover een vorst, een koningszoon.

Hij is superieur in zijn portret. Zijn mond kan lachen om wat zijn haar vertelt. Hij is superieur in de wereld. Om hem in leven te houden beweegt de aarde.

Is dit een gedicht over macht en over het blinde buigen voor de macht?

Ik zou het niet weten.

Veel in gedichten komt associatief tot stand. Ook het lezen en ondergaan van een gedicht verloopt in hoge mate associatief. We kunnen ons best doen de associaties van de dichter te reconstrueren. Maar we ontkomen ook nooit aan onze eigen associaties.

Waarom met dat woord `meisjesmond' die suggestie van androgynie? Waarom die hermetische zinsconstructie van een natuur die haar stroom stremt in wijn en brood? Wat is het geheim van dit gedicht?

Het kan ook zijn dat de aarde hier wordt voorgesteld als onderworpen aan de fysieke schoonheid. Olijf-ovaal. Of dat ze zich ademloos tot de mindere verklaart van de onschuld. Dauw. Of dat ze haar schatplichtigheid erkent aan de nutteloosheid. De zorgloze zang, de werkeloze hand.

Of wil dit gedicht uiteindelijk zeggen dat alles ter wereld alleen bestaansrecht en betekenis heeft als het uitloopt op kunst? Mogelijk. Misschien gaat het gedicht nog een stap verder. Misschien zegt het wel dat de wereld haar motoriek ontleent aan de aanwezigheid van een geheim.