Succesrijk begin van een nieuwe Milanese traditie

Riccardo Chailly dirigeerde gisteravond met veel pubiek succes voor het eerst een uitvoering van Bachs Matthäus Passion in zijn geboortestad Milaan. Na afloop was er langdurig applaus en veel bravi!-geroep in een overvolle kerk. Het was tevens het debuut van Chailly's nieuwe en jonge Milanese symfonie-orkest `Giuseppe Verdi', waarmee hij in een eigen concertzaal in Milaan gaat optreden. Verder was was het voor het eerst sinds dertig jaar dat een Italiaans orkest de Matthäus in Milaan uitvoerde.

Het is Chailly's bedoeling om in Milaan een Matthäus-traditie scheppen met uitvoeringen die telkens vooraf zullen gaan aan die in Amsterdam, waar zo'n traditie een eeuw geleden is ingesteld door Willem Mengelberg.

De eerste Milanese Matthäus Passion van Chailly vond plaats in de San Marco-kerk, waar de operacomponist Giuseppe Verdi, naar wie Chailly zijn symfonie-orkest heeft vernoemd, op 22 mei 1874 de eerste uitvoering dirigeerde van zijn Requiem. Terwijl nog steeds de discussie doorgaat in hoeverre Verdi's Requiem eigenlijk een soort opera is, is die volgens Chailly juist `de grootste symfonie' van de vorige eeuw.

Zulke grensoverschrijdende kwalificaties hebben hun invloed op Chailly's interpretatie van de 18de eeuwse Matthäus Passion, die men kan omschrijven als een concertant uitgevoerd kerktheaterstuk met beeldende barokmuziek. Chailly heeft twintig jaar geaarzeld of hij de Matthäus zou durven dirigeren. Om volledig vertrouwd te raken met het werk, voerde hij het enkele keren uit in Zwitserland en Turijn. Ondertussen bestudeerde hij uitvoerig de romantisch gestileerde uitvoeringen van Mendelssohn en die van Mengelberg. In beide gevallen werd het werk gecoupeerd en uitgevoerd met grote koren en een aangepaste instrumentatie. Chailly ontdekte dat Bach de eerste `twaalftoonsreeks' in de muziekhistorie schreef, in de passage over de aardbeving na de dood van Christus.

Al heeft Chailly zelfs overwogen de Mendelssohn-versie weer te doen klinken en al is hij gefascineerd door de Amsterdamse Palmzondag-traditie, zijn interpretatie van de Matthäus Passion staat daar in de praktijk ver vanaf. Die lijkt eerder op wat Nikolaus Harnoncourt met de Matthäus Passion deed in Amsterdam, wat betreft tempi en een sterk verminderd vibrato. Maar al werkte de `authentieke' Harnoncourt in Amsterdam ook met een deels modern instrumentarium, Chailly neemt uitdrukkelijk afstand van de puristische `authentieke' richting.

Chailly is niet uit op het `authentieke' specialistenwerk van een getrouwe reconstructie van Bachs uitvoering op `originele' instrumenten. Als een `gewone' en `moderne' chef-dirigent eist hij – net als Mengelberg – het recht op om een eigentijdse en persoonlijke opvatting te laten klinken. Soms citeert hij Mengelberg, zoals in de schrikwekkende aardbeving, die hij overigens realiseert met minder opzichtige middelen dan Mengelberg.

In Chailly's Matthäus treden ook geen countertenoren op, en zo klinkt, afgezien van het gebruik van houten fluiten en de gamba, weinig instrumentale en vocale exotiek. Wel hoort men veel instrumentale expressie, een zeer zorgvuldig gedetailleerde frasering en een subtiel aangebrachte dynamiek in koralen en koren. Het in tempo en geluidssterkte vergaand uitgewerkte slotkoor is daarvan het laatste en treffendste voorbeeld. Chailly neemt de vrijheid om de leugenachtigheid van Judas en de hogepriester te onderstrepen met rauwe gamba-streken.

Chailly zal In het Amsterdamse Concertgebouw op Palmzondag 28 maart voor het eerst de uitvoering van de Matthäus Passion leiden bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarmee herstelt hij na 41 jaar de Amsterdamse traditie dat de chef-dirigent van het Concertgebouworkest de Matthäus Passion dirigeert, wat sinds de plotselinge dood van Eduard van Beinum niet meer was gebeurd – Haitink liet het over aan anderen. Zo wordt Riccardo Chailly een dirigent van twee steden, die hij elk voorziet van een muzikale specialiteit van de ander. In Amsterdam brengt Chailly Italiaanse opera in het Muziektheater en – tijdens de Kerstmatinees – ook concertant in het Concertgebouw. In Milaan voegt hij met zijn nieuwe orkest, naast de Nederlandse Matthäus-traditie, een substantieel deel toe aan het relatief geringe symfonische aanbod. Zonder buitenlandse hulp lukt de Italiaanse Matthäus overigens nog niet: naast het kinderkoor van de Scala stond het voortreffelijke koor van de Bayerische Rundfunk en de twee continuo-orgels werden bespeeld door Liuwe Tamminga en Bernard Winsemius.

Het was opmerkelijk hoe goed Chailly's nieuwe orkest deze eerste keer in Milaan door dit lange stuk kwam. De Amsterdamse Matthäus van Chailly zal met het Concertgebouworkest zeker anders zijn in akoestiek en muzikale uitvoering en ook anders van sfeer met een andere evangelist: de welluidende Christoph Prégardien in plaats van de scherpe en felle Kurt Azesberger. Van de goede tot voortreffelijke Milanese solisten komen Detlev Roth (Christus), sopraan Lynne Dawson, tenor Kenneth Tarver en de bassen Peter Mattei en Geert Smits ook naar Amsterdam. De solistencast naast Prégardien is voor Amsterdam zelfs geheel nieuw: alweer tekenend voor het samengaan bij het Concertgebouworkest van traditie en vernieuwing.