Petites histoires van André Szasz

Begin 1992 schreef premier Ruud Lubbers een persoonlijke brief aan bondskanselier Kohl. In deze brief beklaagde Lubbers zich over de hoge Duitse rente en drong hij bij Kohl aan op een renteverlaging. Het was een pijnlijke misstap van de premier: ten eerste ging Kohl niet over het rentebeleid, ten tweede begaf hij zich op het terrein van zijn minister van Financiën Kok en ten derde bruuskeerde hij De Nederlandsche Bank en de Bundesbank.

Het verdrag van Maastricht was net afgerond (december 1991). De Bundesbank stond onder politieke druk van Frankrijk en Groot-Brittannië om de rente te verlagen, maar voelde zich genoodzaakt de rente hoog te houden om de inflatoire effecten van de Duitse vereniging te beteugelen. Nederland, en in het bijzonder De Nederlandsche Bank, werden in Duitsland beschouwd als vanzelfsprekende bondgenoten in het strakke monetaire beleid. En daar ging Lubbers met zijn brief dwars tegenin. Het heeft de Duitse sympathie voor Lubbers' kandidatuur bij de Europese Commissie enkele jaren later geen goed gedaan.

Deze politieke démarche wordt onthuld in The road to European Monetary Union, een studie van de oud-directeur van De Nederlandsche Bank, André Szasz, naar de wordingsgeschiedenis van de monetaire eenwording in Europa. Het boek staat vol met dergelijke pikanterieën, opgetekend door een insider die meer dan dertig jaar het Europese monetaire beleid heeft helpen vormgeven.

Szasz (1932) is een instituut. Zijn kennis van Europese monetaire zaken is groot, zijn geheugen fenomenaal en zijn archief uniek. In Nederland komt het zelden voor dat een hoge functionaris put uit zijn persoonlijke aantekeningen om te schrijven over een onderwerp waarbij hij nauw betrokken is geweest.

Zoals veel centrale bankiers heeft Szasz geen hoge dunk van politici wanneer die zich met monetaire zaken bemoeien. Treffend is een incident uit februari 1990 dat hij aanhaalt: Wim Kok, net minister van Financiën, liet zich tegenover journalisten ontvallen dat de gulden niet altijd gekoppeld aan de D-mark hoefde te blijven. Na de traumatisch ervaren ontkoppeling van de gulden-D-mark in 1979 en 1983 was dat onhandig. De Nederlandsche Bank was ontstemd en de Bundesbank verbaasd. Szasz geeft daarop het volgende telefoongesprekje weer tussen Karl-Otto Pöhl, de president van de Bundesbank, en Wim Duisenberg:

Pöhl: ,,Wat is er in hemelsnaam aan de hand in Nederland?''

Duisenberg: ,,We hebben een nieuwe minister.''

Pöhl: ,,Oh, is dat alles.''

Over Kok is Szasz aanzienlijk milder dan over Lubbers. Hij documenteert ten minste drie gevallen waarin de toenmalige CDA-premier de feiten naar zijn hand heeft trachten te zetten. Hij citeert bijvoorbeeld premier Thatchers instemming met het heldhaftige verzet van Lubbers tegen Kohl op de Europese top in Straatsburg december 1989 over de Duitse eenwording. Achteraf heeft Lubbers dit steeds ontkend.

Pikant is ook Lubbers' interpretatie van de gang van zaken rond de herschikking van de wisselkoersen in het Europese Monetaire Stelsel in maart 1983. De gulden bleef toen op aandrang van het pas aangetreden kabinet-Lubbers achter bij de Duitse mark. Dat was op instigatie van Jan de Koning (Sociale Zaken) en vooral Lubbers, die daarmee het dringende advies van Duisenberg en Ruding (Financiën) negeerden. Maar later heeft Lubbers gezegd dat hij natuurlijk naar Duisenberg geluisterd zou hebben als die voet bij stuk had gehouden. Szasz maakt duidelijk dat Duisenberg door Lubbers in een onmogelijke positie was gemanoeuvreerd: opstappen of zelfs de dreiging met opstappen zou de gulden geschaad hebben.

Lubbers heeft ook een onbekend gebleven bijrolletje gespeeld in de laatste grote crisis in het EMS in de zomer van 1993. Nog geen jaar na de EMS-crisis van september 1992 (`black wednesday') stond de Franse franc onder enorme druk. In Brussel (waar koning Boudewijn net was overleden) was spoedberaad bijeengeroepen van de financiële en monetaire autoriteiten. Szasz had de Nederlandse strategie uitgewerkt om koste wat kost de koppeling van de gulden aan de D-mark vast te houden. Frankrijk wilde dat Duitsland het EMS tijdelijk zou verlaten en de voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, was vanuit zijn huis bezig de regeringsleiders telefonisch te bewerken om hiermee in te stemmen.

Volgens Szasz, die zich baseert op een Franse publicatie, was Lubbers hiertoe best bereid en zou hij dat Delors ook hebben laten weten. Maar ja, De Nederlandsche Bank lag dwars. Kok (die halsoverkop in vakantietenue uit Zwitersland naar Brussel was gekomen) en Duisenberg (die een ministerspak voor Kok uit Amsterdam had meegenomen) hielden voet bij stuk. De koppeling van de gulden en de D-mark werd bekrachtigd, terwijl voor de overige munten een bandbreedte van plus en min vijftien procent werd overeengekomen. De Franse franc was hiermee gered.

Deze anekdotes kunnen de indruk wekken dat The road to European Monetary Union vooral over Nederland gaat. Dat is niet het geval. Het boek heeft een Europese invalshoek en staat vol historische gegevens over de lange weg naar monetaire eenwording. De grote lijn - de EMU als een politiek akkoord waarbij Frankrijk de macht van Duitsland wil inperken en Duitsland bereid is de D-mark op te geven voor zijn Europese inbedding - is bekend. Niet bekend waren de kleine onthullingen van de enige persoon in Nederland die dit monetaire proces van het begin tot het einde heeft meegemaakt.