Going down, going down

Ook al weer zo'n modewoord: proces. Alles is tegenwoordig een proces. Het straalt het onvermijdelijke uit. Niet voor niets is het woord proces dan ook heel vaak gekoppeld aan het begrip onbeheersbaar. Als iets een schoolvoorbeeld is van een onbeheersbaar proces is het wel de parlementaire enquête naar de ramp met de El Al–Boeing boven de Bijlmer. Bij de meeste politici begonnen als een met frisse tegenzin gevoede poging eindelijk van het `gezeur' af te zijn, inmiddels uitgegroeid tot een lading politiek dynamiet. Hoe het zal eindigen, durft niemand te voorspellen, het is immers een onbeheersbaar proces dat gaande is.

Het belangrijkste is dat zij die zweren bij regie deze zijn kwijtgeraakt. De enquêtecommissie heeft het nu even voor het zeggen en dat is iets wat slechts weinigen een half jaar geleden voor mogelijk hielden. Toen werd het onderzoek naar de vliegramp nog alom beschouwd als een klus waaraan weinig politieke eer viel te behalen. Kamerleden van het tweede garnituur werden als lid van de commissie voorgedragen, terwijl ook de traditionele strijd om het voorzitterschap achterwege bleef. Dit was toch duidelijk een

B-enquête, aldus de heersende opvatting.

Daarbij werd de gebruikelijke fout gemaakt dat wat op het Binnenhof als onbelangrijk wordt beschouwd in het land heel anders wordt ervaren. De parlementaire enquêtes naar zaken als opsporingsmethoden van de politie, de organisatie van de sociale zekerheid, bouwsubsidies, het fraudebestendig paspoort waren toch vooral voer voor bestuurskundigen. De enquête naar de Bijlmerramp daarentegen is van `het volk'. Het is een onderwerp met een zogeheten hoge `identificatiescore'. De Bijlmerenquête draagt elementen in zich van populaire televisieprogramma's als Hoe bestaat het, Breekijzer en Kassa. Het is de strijd van de moderne Robin Hoods tegen de onzichtbare maar tegelijk zo overweldigende bureaucratie. De openbare verhoren van de enquêtecommissie waren bijna stuk voor stuk een bevestiging van reeds bestaand wantrouwen. `Zes jaar belazerd', kopte het Algemeen Dagblad in één van de eerste weken van de getuigenverhoren. Het is dit bloeddorstige gevoel waartegenover de gevestigde politiek zich straks zal moeten verantwoorden.

Een extra complicatie bij de politiek toch al zo gevoelige verwijtbaarheidsvraag is dat deze tegen de achtergrond van vorige affaires zal worden beschouwd. Fractievoorzitter Marijnissen van de Socialistische Partij introduceerde twee jaar geleden het dodelijke begrip `sorry-democratie' na het zoveelste geval van ambtelijk falen waaruit geen politieke consequenties werden getrokken. Zo vernieuwend het eerste paarse kabinet qua politieke kleurstelling was, zo regentesk waren de bewindslieden als het om gehechtheid aan hun zetel ging. De cruciale vraag is of het tweede paarse kabinet wederom de roep om koppen zal willen trotseren, of dat er toch offers gebracht zullen worden.

Hierbij lopen twee kwesties door elkaar heen. Aan de ene kant is er de bestuurlijke zuiverheid, aan de andere kant het `Volksempfinden'. Wat dat laatste betreft is er een serieus probleem. In het huidige digitale tijdperk wordt slechts nog gesproken in termen van winnaars en verliezers, c.q. schuldigen en onschuldigen. Politiek is verworden tot een alles of niets–quiz: blijven ze aan of treden ze af. In beleid is nauwelijks meer iemand geïnteresseerd. Het begrip politieke arena moet tegenwoordig zeer letterlijk worden genomen: op de publieke tribune wordt het oordeel door middel van de duim geveld. De werkzaamheden van de Europese Commissie werden pas nieuws toen de posities van de Commissieleden ter discussie stonden. Een teken dat de democratie gaat leven zeggen de optimisten. Maar als de werking van de democratie moet worden afgemeten aan het aantal dat er rolt, is het met die democratie wel droevig gesteld.

Toch is er niet voor niets het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid met als ultieme consequentie het vertrek van een minister of staatssecretaris bij ernstige gebreken in de ambtelijke organisatie. Van dat in gebreke blijven zal het eindrapport van de Bijlmercommissie ongetwijfeld de nodige staaltjes laten zien. Terwijl departementen bij voorkeur langs elkaar heen werkten waren ze wel eensgezind in het consequent negeren van allerlei vragen en signalen uit de samenleving. Het was bijna aandoenlijk om te zien hoe vorige week nationale politici van naam en faam tijdens de verhoren van de commissie verwikkeld waren in het zichzelf klein maken, dan wel bezig waren met optimale verantwoordelijkheidsspreiding.

Neem de plotselinge minimalistische taakopvatting van de bij de Bijlmer–affaire betrokken minister-presidenten Lubbers en Kok. Hadden zij als voorzitter van de ministerraad niet wat meer initiatief moeten tonen in deze slepende kwestie, was de niet onlogische vraag. Waarna zowel Lubbers als Kok met antwoorden kwam in de trant van dat dergelijk krachtdadig optreden niet passend was binnen de Nederlandse verhoudingen. Het is nota bene Lubbers zelf geweest die het Reglement van Orde van de ministerraad gewijzigd heeft om de initiërende rol van de minister-president vast te leggen. Sinds 1994 luidt artikel 7 van dat Reglement: ,,De minister-president kan, indien een aangelegenheid door de minister die daarvoor in de eerste plaats verantwoordelijk is, niet in de raad aan de orde wordt gesteld, in overeenstemming met het gevoelen van de raad, zelf zorg dragen voor de indiening van deze aangelegenheid bij de raad.''

Dit is nu precies wat Kok voor de voeten kan worden geworpen als de politieke spanning rondom de conclusies van de Bijlmercommissie straks oploopt. De departementen van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid en daarmee de (ex)–verantwoordelijke ministers Jorritsma en Borst zal het nodige feilen worden aangerekend. Op het moment dat beide huidige vice-premiers hierop politiek worden aangesproken zal onherroepelijk ook de coördinerende rol van de premier aan de orde worden gesteld. Zo is de schuld tenminste over alle drie partijen gespreid en gebeurt er of niets en blijft iedereen zitten of van alles en is er geen kabinet meer.

Welke kant het op gaat weet nog niemand. Er zijn slechts de diverse actoren: de bloeddorstige publieke opinie, de eigenzinnige enquêtecommissie en minder joviale coalitieverhoudingen. Zo gaat het proces de komende weken verder: even onbestuurbaar als destijds die El Al–Boeing boven de Bijlmer.