De eindbalans van een evenwichtskunstenaar

Afspraak is afspraak. Henk Koning gaat weg. Nadat hij acht jaar president was van de Rekenkamer. De statuur van het instituut nam toe, net zoals de politieke druk.

`EIGENLIJK WERK IK als een soort minister'', zegt Henk Koning, ,,namelijk op hoofdlijnen.'' Tot 1 april is Koning president van de Algemene Rekenkamer. Tot die datum gaan alle Rekenkamer-rapporten door zijn handen zoals hij ze de afgelopen acht jaar allemaal voorbij heeft zien komen. Koning scant ze vooral op hun politieke gevoeligheid. De Rekenkamer stapt nogal eens op lange politieke tenen, vooral van bewindslieden. Dat is niet erg, vindt de president, als de feiten in de rapporten maar kloppen. Soms brengt hij kleine wijzigingen aan en zegt dan tegen onderzoekers: ,,Dit is te hard, je kunt hetzelfde bereiken door het iets milder op te schrijven.''

,,Ik heb een scherp oog voor waar je politieke uitspraken doet en waar je komt met uitspraken die politieke gevolgen kunnen hebben.'' Van het eerste moet de Rekenkamer zich onthouden. Maar de politieke gevolgen, die zitten in de aard van het werk. ,,Niet iedereen is gelukkig met wat ik doe.''

Het is balanceren wat Koning sinds zijn aanstelling in 1991 heeft gedaan. Een objectief instituut als de Rekenkamer dient zich verre te houden van zoiets subjectiefs als de politiek. Maar dat is lastig als het werk louter bestaat uit het onderzoeken van de recht- en doelmatigheid van het meest politieke aan de politiek: de besteding van rijksgeld. ,,We kunnen zeggen: dat is de wet en de uitvoering klopt niet, daar moet je wat aan doen. Maar je kunt als Rekenkamer niet zeggen wàt de regering eraan moet doen. Toch wordt ons verweten steeds meer met politiek bezig te zijn. Dat komt doordat de politiek de wet steeds minder kent en dus weet men niet wat onze bevoegdheden zijn.''

In de kennelijk onbekende Comptabiliteitswet staat dat de Rekenkamer het gevoerde beleid onderzoekt. ,,Er staat niet: het gevoerde financiële beleid.'' Koning geeft een voorbeeld: ,,Binnenkort komt een onderzoek uit naar het dienstpistool van de politie. Zijn dat geschikte wapens voor het doel waarvoor ze zijn aangeschaft?'' Hoewel het rijksgeld er bijna met de haren is bijgesleept, is uiteindelijk de vraag van elk Rekenkamer-rapport ook in dit geval te formuleren: ,,Is het geen geldwegsmijterij geweest?''

Vooral als de Rekenkamer een oordeel velt over de doelmatigheid van de besteding van rijksgeld en daarmee over het gevoerde beleid, worden bewindslieden giftig en beschuldigen ze het college ervan buiten het boekje te gaan. Dan proberen ministers en staatssecretarissen soms druk op de Rekenkamer uit te oefenen om delen van rapporten niet te publiceren of om al te harde conclusies af te zwakken. Daarmee geven ze evenwel alleen maar aan dat ze onkundig zijn van het feit dat de Rekenkamer onafhankelijk is en mag publiceren wat ze wil en wanneer ze wil. Het parlement, tenslotte de controleur van de regering bij uitstek, zou de dualistische bondgenoot van de Rekenkamer moeten zijn. ,,Maar als er door onze rapporten koppen dreigen te rollen, dan krabben Kamerleden zich wel eens achter de oren'', zegt Koning. ,,Dan hebben ze toch de neiging om de boodschap wat af te zwakken, of de boodschapper extremiteiten te verwijten.''

Het afzwakken van de boodschap is iets dat volgens Koning ook bekritiseerde bewindslieden kunnen doen door het laten uitlekken van concepten van Rekenkamer-rapporten. ,,En wel om de volgende doelstelling te bereiken: je lekt en je doet het ontwerp van het rapport van de Rekenkamer ernstiger voorkomen dan het is. Dan wordt het gepubliceerd en dan zijn er twee reacties mogelijk: `is dit nou alles' of `de Rekenkamer is even lekker onder druk gezet'.''

Drie keer was Koning staatssecretaris en ook drie keer Tweede-Kamerlid. In 1991 werd hij benoemd tot president van de Algemene Rekenkamer waarbij de stem van de toenmalige premier Lubbers de doorslag gaf. Later onthulde Lubbers waarom hij zijn stem aan Koning had gegeven. De oud-premier vond dat het college stilaan een politieke rol was gaan vervullen door het ene na het andere politiek beladen rapport te publiceren. De houding `wij tegen de politiek' was in de poriën van het instituut geslopen. De benoeming van een `politiek dier' als Koning werd door de Rekenkamer zelf dan ook ervaren als een Kaltstellung van de controleur van de rijksfinanciën.

,,Dat te denken is dom als je een oud-belastinginspecteur op die plek neerzet'', zegt Koning nu. Het aantal bewindslieden dat door de Rekenkamer tot razernij is gebracht, nam in zijn periode sterk toe en daarmee de statuur van het college. Vooral de twee kabinetten-Kok bleken de bemoeienis van de Rekenkamer maar moeilijk te kunnen velen. ,,Veel bewindslieden uit het vorige en huidige kabinet kunnen niet tegen kritiek. Zeg maar: Paars kan niet tegen kritiek. CDA'ers wel, die begrijpen door hun lange regeerervaring dat ieder zijn rol heeft.''

Het meest recente voorbeeld van de moeilijke relatie tussen Paars en de Rekenkamer betreft een negatief rapport over de gift van 110 miljoen gulden van De Nederlandsche Bank waarmee uiteindelijk de Mondriaan Victory Boogie Woogie voor 80 miljoen gulden kon worden gekocht. Kok was woedend op Koning die zegt: ,,Ik had na een halfuur al door dat dit niet kon. Je hoefde de Bankwet en het Burgerlijk Wetboek er maar op na te lezen. De Kamer heeft nagelaten het kabinet daarover de oren te wassen.''

Dieptepunt in de relatie tussen Rekenkamer en Paars vormde eind oktober 1996 de touwtrekkerij over het rapport `Financiële relaties met grote ondernemingen'. Het kabinet wilde dat dit rapport over steunverlening aan Fokker, NedCar en DAF in zijn geheel vertrouwelijk bleef. De Rekenkamer was bereid tot een geheime bijlage met concurrentiegevoelige gegevens. De politieke druk op de Rekenkamer is nimmer zo groot geweest. ,,Een hoge ambtenaar van Economische Zaken heeft gezegd: `wij zullen de Rekenkamer verbieden te publiceren'. Daar moet je je natuurlijk niks van aantrekken.''

De nasleep van het rapport werd bepaald door de technolease, een constructie waarmee Fokker en Philips hun technische kennis verkochten aan de Rabobank en die vervolgens terughuurden. Een constructie die volgens oud-belastinginspecteur en oud-staatssecretaris Financiën Koning zowel aan de Tweede Kamer als aan de Europese Commissie had moeten worden gemeld. Maar Brussel denkt daar anders over. ,,Het zou me niets verbazen als er handjeklap is gespeeld tussen Vermeend (staatssecretaris Financiën) en de Europese Commissie, want het heeft wel erg lang geduurd voordat Brussel met een oordeel kwam.''

Het moment van zijn afscheid had hij liever uitgesteld. Maar afspraak is afspraak. Want hoewel officieel voor het leven benoemd, stemde Koning er in 1991 mee in dat hij op zijn vijfenzestigste zou opstappen. Dan is het afgelopen met, wat hij noemt, de protocollaire glamour rondom zijn functie. ,,Na 1 april sta ik gewoon weer in de rij bij recepties, hoor. Het gaat niet om jou, het gaat om je functie. Je bent zó weer vergeten.''