Aziatische waarden?

Mijn favoriete knipsel heeft als titel: `Vliegende koe keldert Japanse vissersboot' (De Standaard, 29-4-1997). Het gaat over Russische militairen die ergens in Oost-Siberië een kudde koeien hadden gestolen die ze, zonder ze eerst te hebben vastgebonden, per vliegtuig transporteerden. In de lucht begonnen de dieren zich zo te roeren, dat de bemanning zich uiteindelijk gedwongen zag ze boven zee via de laadklep naar buiten te werken. Zoals uit de titel blijkt, trof één koe doel.

Een heel ander bericht uit een bijna even oude Financial Times (21-2-1997). Volgens lichtdochter Osram van Siemens zijn de arbeidskosten in China vijftig keer zo laag als in de Bondsrepubliek. Maar er zijn in het eerste land wel 38 keer zoveel mensen nodig om dezelfde productie te realiseren. Het hangt af van andere kosten zoals nabijheid tot de klanten en productieflexibiliteit van de fabrieken, waar het meest voordelig geproduceerd wordt. Dit soort gegevens plaatst de discussie over internationale concurrentie in perspectief. Het illustreert hoe gemakkelijk in China snelle groei te realiseren valt, want één baan schrappen in Duitsland geeft gelijk 38 Chinezen werk. Maar het geeft ook aan welke lange weg men er nog te gaan heeft.

Een derde, klein berichtje uit de Volkskrant van 25-2-1999: `Vermakelijkheid. Chee Soon Juan is in Singapore opnieuw veroordeeld wegens spreken in het openbaar zonder vergunning op grond van de wet op de openbare vermakelijkheden. De politicus, die net een week gevangen heeft gezeten, kreeg ditmaal een boete van 2.500 gulden. Wie meer dan 2.000 gulden boete krijgt, mag zich vijf jaar lang niet kandidaat stellen voor het parlement.' Intussen wordt in buurland Maleisië al maanden lang in de rechtbank met een mogelijk met sperma bevlekte matras rondgezeuld. Die moet het belangrijkste bewijsstuk vormen tegen de vroegere vice-premier Anwar Ibrahim, die zijn baas iets te duidelijk naar de kroon was beginnen steken. En in dezelfde omgeving is de Zuid-Chinese Zee steeds onveiliger door zeeroverij, waarbij hele schepen en ladingen richting China verdwijnen. De getroffen bemanningen mogen blij zijn als ze het er levend vanaf brengen. Het is moeilijk aan te nemen dat Chinese autoriteiten hier niet op de een of andere manier bij betrokken zijn.

Voor nog meer real life-verhalen over de Oost-Aziatische economieën kan men terecht in het boek Geld, geloof, gehoorzaamheid (Arbeiderspers, 1998) van Mieke Kooistra, die daar acht jaar lang correspondente was voor de Volkskrant, de VARA en de Wereldomroep. Er is op dat boek zeker het nodige aan te merken. Heel wat van de crises waarin de door haar beschreven landen de voorbije tijd zijn beland, lijkt ze niet te hebben zien aankomen. En het zou zeker goed zijn als er in het boek een minimaal aantal hardere cijfers over de reële graad van ontwikkeling van deze landen was opgenomen. Maar een aantal van haar reportages vormt uitermate relevant achtergrondmate- riaal voor de discussie hierover.

In Maleisië (waar slechts 20 miljoen mensen wonen) liggen vooral de Chinese en Indische 'immigranten' (volgens Kooistra goed voor bijna de helft van de bevolking, volgens het Spectrum Jaarboek 1998 respectievelijk 27 en 8%) aan de basis van de economische ontwikkeling. Ze worden al jaren systematisch achtergesteld ten opzichte van de Maleiers, de zogenaamde bumiputera's, die tegen 2020 helemaal `bij' moeten zijn. Maar het vergroot wel de tegenstellingen. In Maleisië voeren Indiërs en Chinezen rituelen uit die in hun landen van herkomst allang zijn uitgestorven of verboden.

In verschillende landen ziet men dan weer als gevolg van de modernisering het gemeenschapsleven achteruitgaan. De Filippijnse socioloog Magno krijgt zijn kinderen nog nauwelijks weg achter de computer. Maar in Singapore probeert de autoritaire Lee Kwan Yew met alle macht de gemeenschapsideologie erin te stampen. Hoe beter het er gaat, des te strakker de duimschroeven er worden aangedraaid. Kritische stemmen probeert men af te kopen en in het systeem te integreren. Kooistra beschrijft hoe overal haarden van verzet bestaan: de geïsoleerde dissidenten in Singapore, de onervaren vakbondskernen in Indonesië, de communisten in de Filippijnen die in wreedheid voor hun onderdrukkers niet onderdoen en grote gemeenschappen zoals de Chinezen en Indiërs in Maleisië en de moslimmeerderheid in Indonesië.

Om Oost-Azië er economisch weer bovenop te krijgen, moet daarom het nodige gedaan worden aan de `sociale software', aldus Harvard-hoogleraar Jeffrey Sachs in een recent artikel in de Far Eastern Economic Review (25-2-1999). Sachs, die bij veel economische hervormingsplannen over de hele wereld betrokken was, legt de prioriteit bij de versterking van onderwijs en onderzoek en het democratischer, doorzichtiger en minder corrupt maken van de politieke instituties. En de gerechtelijke instanties moeten eindelijk autonoom worden. Soortgelijke geluiden waren te horen op een conferentie van de Wereldbank in Seoul waarover deze krant op 6 maart j.l. berichtte. Ook van Kooistra's gesprekspartners koopt bijna niemand het traditionele machthebbersverhaal dat meer autoritiare Aziatische `gemeenschapswaarden' de basis vormen van het succes tot nu, al is het maar omdat er op het vlak van waarden nauwelijks sprake is van gemeenschappelijkheid.