Wormstekig poldermodel

Nadat het rapport van het Wijze Comité was verschenen, nog vóór de Europese Commissie was afgetreden, zei de Nederlandse afgevaardigde Laurens Jan Brinkhorst (geciteerd in de Volkskrant): ,,De politiek heeft de controle op de ambtenaren verloren. Dat bezorgt mij haast de neiging om parallellen te trekken met de Nederlandse situatie.'' Haast is nog niet helemaal. De vraag is dus: hoeveel scheelt het, en in welk opzicht. Wij hebben hier geen minister die bevriend is met een tandarts en hem daarom aan het aidsonderzoek gezet heeft hoewel hij geen verstand van aids heeft. Er zijn wel schandalen (De Beknopte Nederlandse Schandaalwijzer van H.van den Berg, verschenen in 1997, beschrijft er 27 in de periode tussen 1972 en 1997). Nepotistische of anderszins corrupte ministers zijn bij ons zeldzaam en voorzover bekend zitten ze niet in dit kabinet. Wat ons nationaal bestuur aan dat van Europa doet denken is, dunkt mij, iets vagers, een overeenkomst in ongrijpbaarheid.

Op 15 januari heeft Brinkhorst op deze pagina (naar aanleiding van de gesneuvelde motie van wantrouwen in het Europese Parlement, tegen de Commissie) zijn kritiek op het mechanisme van aanspreekbaarheid en aansprakelijkheid in Brussel en Straatsburg omschreven. De alleen groepsgewijze verantwoordelijkheid zoals in de oorspronkelijke Europese verdragen is vastgelegd, is uit de tijd. ,,Handhaving van uitsluitend een collectieve verantwoordelijkheid leidt in de praktijk tot het ontbreken van enige politieke verantwoordelijkheid.'' In het alles-of-niets concept – de hele Commissie of niemand – kon ieder Commissielid zich veilig voelen omdat de Commissie als geheel zich altijd sterker wist dan het op een of andere manier verdeelde parlement. Die fase is dus nu aan het begin van zijn eind gekomen.

Waarom lijkt, of leek, de Europese situatie dan haast op de Nederlandse? Dat heeft een aantal oorzaken.

Ten eerste is het ook hier buitengewoon moeilijk geworden, degenen die de definitieve beslissingen nemen, op hun politieke verantwoordelijkheid aan te spreken. Dit betekent niet dat er geen persoonlijke politieke verantwoordelijkheid meer bestaat. Iemand hakt de laatste vezel van de knoop door. Maar de lijnen van besluit via uitvoering tot effect zijn zo diffuus geworden, en vormen tegelijkertijd een zo ingewikkeld complex dat de laatste verantwoordelijkheid praktisch niet meer te achterhalen valt. De `besluitvormers' ontkennen hun verantwoordelijkheid niet maar verwijzen naar het complex waardoor ze van de werkelijkheid worden afgeschermd. Deze methode is in de Bijlmerenquête herhaaldelijk toegepast.

Ten tweede is er een verschil met de Europese situatie dat overigens tot overeenkomstig effect voert. Nederland is erfelijk belast. Dat wil zeggen: het kan van oudsher alleen geregeerd worden door coalitiekabinetten. Vroeger ontstonden de coalities uit de zuilen. Dat is klassiek beschreven door A.Lijphart in zijn Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek. De elites der zuilen voerden als het ware onderling een buitenlandse politiek en troffen zodoende de compromissen waardoor het land bestuurbaar bleef. Na het verval der zuilen ontwikkelden zich nieuwe tegenstellingen, die des te scherper werden naarmate de bevolking toenam en de welvaart groeide. Alle nationale vraagstukken (heb ik vorige week geschreven) vallen op de een of andere manier tot deze twee zegeningen te herleiden. In het probleem van de asielzoekers, de ruimtelijke ordening, weg- en luchtverkeer, het milieu, stadsvernieuwing, zelfs de openbare orde horen de druk van de groeiende massa en het gebrek aan ruimte tot de belangrijkste factoren. Daarbij komt dan natuurlijk het gebrek aan middelen om dit alles in zijn geheel op te lossen, in wat we een paar jaar geleden nog een `Deltaplan' noemden. Deltaplannen horen tot de geschiedenis.

De tegenstellingen die in de tijd van de verzuiling via een `buitenlandse politiek' tussen de elites min of meer werden opgelost, staan nu op de agenda van de consensusdiplomatie. Het verschil is dat `de' politiek hier niet meer de overheersende rol in speelt. De politieke partijen hebben terzake van de grote vraagstukken geen duidelijk programma. De fracties in de Tweede Kamer zijn gespleten tussen hun wens tot handhaving van het zittend kabinet en andere druk die ze van buiten politiek Den Haag ervaren. Inmiddels delen andere machten mee in de besluitvorming: de bureaucratie van departementen en regio's, de belangengroepen uit het bedrijfsleven, de milieulobby, enz.

Het resultaat is dat het politiek proces tegelijkertijd ondoorzichtiger en minder controleerbaar wordt. Dat is de dagelijkse ervaring van de ministers. Het is dus op zichzelf geen wonder als ze zich weleens willen onttrekken aan de politieke verantwoordelijkheid die ze officieel dragen. Maar daarmee zijn de tegenstellingen nog niet opgelost; integendeel. Consensus zoals die in Nederland nu wordt gepraktiseerd, leidt tot vervaging van politieke verantwoordelijkheden en stagnatie. Daarvoor heeft `de' politiek een remedie ontwikkeld. Als door consensus de tegenstellingen niet worden opgelost maar bedekt, en dientengevolge het beleid dreigt vast te lopen, gaat de overheid gedogen. Dat is de methode om niemand werkelijk tot vriend te maken, maar te vermijden dat hij een gezworen vijand wordt. Gedogen is het verstrekken van valse beloften aan alle partijen. Het loopt op den duur mis wegens het groeiend nadelig saldo aan ontevredenheid, ergernis, woede.

In Europa gaat het om de machteloosheid van het parlement tegen de uitvoerende macht, de ongrijpbaarheid van de bureaucratie en een voor vrienden erg vriendelijk Commissielid. In Nederland is het de stagnatie die voortkomt uit een complex van bestuur, bureaucratie en controlerende organen dat in zijn geheel niet in staat is, onze tegenstellingen op te lossen. De consensus heeft zijn voordelen. Die zijn in het `poldermodel' genoeg door onszelf bezongen. Nu blijkt het model wormstekig te zijn. Het complex is niet tegen zijn intrinsieke nadelen opgewassen. Wat moeten we doen? Ook maar eens een commissie naar huis sturen? Dat zou weleens een grote opluchting kunnen zijn. Op het ogenblik is het `poldermodel' bezig zichzelf te slopen.