Oppassen met DNA

HET BELANG VAN de waarheidsvinding in het strafproces kan zo zwaar wegen dat het een inbreuk op de lichamelijke integriteit van een verdachte rechtvaardigt. Met deze motivering gingen de fracties in de Tweede Kamer medio 1993 akkoord met invoering van een DNA-test in strafzaken. Ernstige strafzaken, zo werd van verschillende kanten beklemtoond, waarin een ernstige verdenking tegen de betrokkene is gerezen en geen nadere weg open staat. De DNA-test – ook als hij alleen dient ter identificatie van een persoon – houdt immers in dat de overheid zich bemoeit met genetische structuren. En het recht op genetische identiteit behoort tot de kern van de grondwettelijk gegarandeerde integriteit en waardigheid van elk mens.

De DNA-test in strafzaken werd dan ook ingevoerd als een uiterst middel. Maar dat blijkt in nog geen zes jaar tijd aardig te kunnen verkeren. Politiechefs vinden dat de test dient te worden bevrijd van zijn juridische ketenen en ook moet worden gebruikt om de kleine inbreker of vandaal te kunnen pakken. Deze claim komt niet als een verrassing. Vorig jaar had het Kamerlid Dittrich (D66) al een voorzet gegeven. De moderne DNA-test is eigenlijk niets meer dan het moderne equivalent van een vingerafdruk, betoogde hij. De bloedprik is immers vervangen door een wattenstaafje tegen het wangslijmvlies van de verdachte. Wat is nog het verschil met het beïnkten van vingers? Er dient volgens de afgevaardigde rechtens dan ook niet zwaarder aan te worden getild.

DEZE UITSPRAKEN waren allereerst in politiek opzicht opmerkelijk. Als er nu één partij is geweest die zich druk maakt over lichamelijke integriteit en zelfbeschikking van de mens, dan is het wel de huidige kleinste regeringspartner. Bij de medische keuring heeft D66 zelfs door dik en dun een initiatiefwetsvoorstel verdedigd, en in de wacht gesleept, om een eind te maken aan de keuringsmanie. En dan nu een DNA-uitverkoop.

Het zal die vermaledijde profileringsdrift wel weer zijn geweest. Minister Korthals (Justitie) was in elk geval terecht niet onder de indruk. Als VVD-Kamerlid wees hij in 1993 al op het belang van ,,een goed evenwicht tussen het vervolgingsbelang en het belang van de verdachte''. Geheel in deze lijn verklaarde Korthals vorig jaar oktober in zijn eerste begrotingsdebat er weinig voor te voelen iedere ingesloten verdachte automatisch te onderwerpen aan een DNA-test. Deze is volgens de bewindsman nog altijd belastender dan een vingerafdruk.

DE MAATSCHAPPELIJKE mogelijkheden van een DNA-databank – waarom het natuurlijk allemaal begonnen is – zijn ook wel wat explosiever dan zelfs het geavanceerde HOLMES-computersysteem voor de dactyloscopie. Dat is geen reden een veelbelovende nieuwe techniek in de kast te laten. Maar het is wel een reden voor juridische precisie. Het beginsel dat niemand gedwongen is aan zijn eigen veroordeling mee te werken, staat toch al onder druk. Het is wel een ,,belangrijk beginsel'' zoals het Kamerlid Korthals in 1993 opmerkte. Ook voor de DNA-test-nieuwe-stijl dient te gelden dat noodzaak van de ingreep telkens gedegen moet worden aangetoond. De nieuwe DNA-wet, die Korthals in petto heeft, kan wat dit betreft nog wel iets preciezer. En in elk geval dient als harde ondergrond te blijven gelden dat een DNA-registratie wordt vernietigd zodra iemand ten onrechte als verdachte blijkt te zijn aangemerkt.