Het Beest van Haren

Op een vroege decembermorgen scheurde de deurbel mij los uit mijn dromen. Ik stommelde naar het raam, kneep mijn ogen halfdicht tegen het scherpe licht van een besneeuwde wereld en zag bij de schuurdeur een jonge vrouw bij een bromfiets staan. Ik greep mijn ochtendjas en haastte mij naar beneden. Hoewel de helm haar gezicht bijna onherkenbaar maakte, wist ik toch wie zij was: een van de meisjes op de administratie van het Geografisch Instituut. Een aardig kind met zwart krulhaar, dat korte tijd later ontslag zou nemen om haar roeping als heilssoldate te volgen. Zij vertelde mij dat ik over een uur thuis bij de heer Hermans werd verwacht, in Haren, voor mijn tentamen cartografie en meteorologie.

,,Over een uur'', stamelde ik.

Ze knikte. ,,Ik zou maar opschieten.'' Ze draaide haar brommer en reed het erf af.

Een paar dagen eerder had ik haar beteuterd mijn verhaal gedaan; ik zou in de Grote Rozenstraat, na afloop van Hermans' college, tentamen bij hem afleggen. Helaas, ik had mij verslapen; onderweg naar de afgesproken plek kwam ik mijn docent bij het Academiegebouw tegen, nieuwsgierig turend in de etalage van een postzegelwinkel. Ik durfde hem niet te storen met de vraag of het tentamen alsnog doorgang kon vinden, desnoods in de universiteit of al wandelend door de stad.

Het aardige meisje zou contact met hem opnemen. Niet beseffend dat ze weldra door de besneeuwde velden naar een boerderij moest brommen, waar ik telefonisch onbereikbaar was.

Met een duf hoofd spoedde ik mij naar Haren. Nam die onhebbelijke man, die eerst een reeks literaire mandarijnen op zwavelzuur had gezet, nu ook al wraak op studenten?

Hoewel het tegen tienen was ontving Hermans mij in een wijnrode ochtendjas, waartegen zijn Gauloises-blauwe ogen mooi afstaken. Gelukkig maakte hij helemaal geen wraaklustige indruk. Integendeel, hij was aimabel en opgeruimd, en voelde zich in de riante villa zeer op zijn gemak, alsof hij van kindsbeen af in weelde had gebaad. Gezeten op een grote sofa, een sigaret tussen de vingers, stelde hij mij vragen over hygrometers, de Mercatorprojectie en ruige rijp. Drie kwartier later fietste ik weer terug, me afvragend waaraan Hermans de bijnaam `Het Beest van Haren' had te danken.

De publicatie van `Onder professoren' lag nog in de schoot der toekomst verborgen (Hermans wist ook niet dat binnenkort alle lectoren in één klap tot professor bevorderd zouden worden). In die roman geeft hij een naargeestig beeld van het Groningse platteland: `Hoe kaal en plat is dit land, waar alleen de bomen in de buurt van de boerderijen uit opsteken als bossen schaamhaar.' Stel, dat het boek al verschenen was, zou hij het dan leuk hebben gevonden als ik hem had gevraagd: `En binnen die bossen wonen zeker de Groningse boerenlullen?'

Over gevoel voor humor beschikte hij immers zeker. Dat blijkt ten overvloede uit de biografie, kortweg getiteld `Hermans', die Hans van Straten aan hem wijdde. Al wordt daar deze kanttekening bij gemaakt: `Als hij lachte, was het doorgaans een sarcastische, honende lach.'

Een ander boek, `Nooit meer slapen', was toen (1968) al een paar jaar uit. Ik zou er nog vaak aan terugdenken. Want in 1972 stapte ik in Lapland letterlijk de plaats van handeling binnen. Als doctoraalstudent antropologie nam ik mijn intrek in een doodstil dorpje op de toendra, vanwaar ik een onbelemmerd uitzicht had op de berg Vuorje, die in de roman zulk een belangrijke rol speelt.

In Skoganvarre (`bos aan het meer'), een vlekje tussen het Noorse Lakselv en Karasjok, verlaat de hoofdpersoon van het boek, de geoloog Alfred Issendorf, de gebaande wegen. De tocht gaat westwaarts, naar de hoog optorenende berg Vuorje. Al na een paar honderd meter toendra heeft Alfred er spijt van dat hij nooit aan sport heeft gedaan. Waarom heeft hij zich nooit eens voor een survival-weekend opgegeven? De loodzware rugzak trekt hem achterover, de sponzige bodem en de gladde stenen doen hem voorover vallen. Hij voelt zich volledig misplaatst in het kale en tegelijkertijd geheimzinnige landschap. En waartoe dienen al deze ontberingen? Om een dwaze theorie van zijn hoogleraar te bevestigen dat de gaten in de bodem niet door dood ijs waren veroorzaakt maar door inslaande meteorieten. `Nooit meer slapen' is geen roman die een romantische kijk op Lapland zal bevorderen.

Bij mijn hut op de toendra meldde zich op zekere dag een wandelaar die geprobeerd had het spoor van Alfred Issendorf te volgen. Dat was hem niet gelukt. Ter plekke was hij tot het inzicht gekomen dat Alfred en zijn twee Noorse collega's een absurde omweg hadden gemaakt. Hermans heeft met de geografische gegevens een fantastisch spel gespeeld, luidde zijn klacht. Alfred steekt op weg naar de Vuorje rivieren over die er niet zijn en hij stijgt en daalt in een nagenoeg vlak landschap. Het boek bevat dus geen expeditieverslag.

In later jaren kwamen ook andere lange-afstandwandelaars tot deze slotsom. Zij berichtten daarover in een blad als Op lemen voeten, waarvan de naam door Hermans bedacht zou kunnen zijn. Waarom maakte de schrijver eigenlijk een potje van de kaartgegevens? Waarom legde hij de stappers allerlei extra hindernissen in de weg? Het gaat erom, schrijft een van de spoorzoekers, dat de hoofdpersoon een krachtproef moet afleggen en dat hij daarin faalt. Want `mislukking en desillusie spelen bij Hermans altijd een grote rol'.

Dat is toch een treffende conclusie. Het bewijst hoe diep Hermans' levensgevoel tot de lezers is doorgedrongen.