Goudhaartje grijpt de macht

Gistermiddag doorbrak het Dow Jones-gemiddelde voor het eerst de grens van 10.000 punten. De Amerikaanse aandelenbeurs mag dan een zeepbel zijn, het sopje is van uitzonderlijk goede kwaliteit gebleken.

10.000 by 2000, met die gevleugelde kreet begeleidden de grootste waaghalzen in de Amerikaanse analistengemeenschap al jaren geleden hun voorspelling dat het Dow Jones-gemiddelde door zou blijven stijgen. Abby Joseph Cohen van Goldman Sachs, Edward Yardeni van Deutsche Bank of Ralph Acampora van Prudential viel het lot van elke profeet ten deel: gek voor de een, geniaal voor de ander.

Het voorlopige antwoord is gisteren gegeven op Wall Street: geniaal. Drie jaar geleden, toen de Dow voor het eerst door de 5.000 punten brak, zou dat de 10.000-grens een verdubbeling betekenen van de toen al als zeer hoog ervaren beurskoersen. En nog vorig najaar, toen de Dow ver onder de 8000 punten terugzakte in wat werd ervaren als de ergste wereldwijde financiële crisis sinds de jaren dertig, was de 10.000-grens ver weg. Maar op dinsdag 16 maart was het al zo ver: al bijna een jaar voor het jaar 2000 brak de Dow door de barrière.

De stijging van de Amerikaanse aandelenkoersen is nu al jarenlang onderhevig aan twee percepties. Enerzijds is er de te hete Amerikaanse economie, waardoor de bedrijfswinsten van de beursfondsen toenemen maar angst voor renteverhogingen het enthousiasme dempen. Anderzijds heerst er een juist te koele Amerikaanse economie waardoor de bedrijfswinsten zich weliswaar minder gunstig ontwikkelen, maar de rente verder naar beneden kan.

Beleggers kozen uit deze twee scenario's telkens dat met het goede nieuws. In periodes waarin de winsten tegenvielen, stegen de aandelenkoersen vooral op basis van de dalende rente. In tijden waarin de rente opliep, zoals nu, zijn het de betere winstvooruitzichten die de koersen doen stijgen. De Amerikaanse economie is kennelijk niet te warm en niet te koud: vanaf eind 1996 is daarom de term `Goudhaartjes-economie' in zwang gekomen. De drie beren hebben bezigheden elders.

Vast staat dat, hoewel de VS nu al zeven jaar lang blijven doorgroeien en de werkloosheid allang het theoretische punt heeft bereikt waarop er een versnelling in de lonen plaats moet vinden, er nog steeds weinig tekenen te vinden zijn van oplopende inflatie. En ook in het eerste kwartaal blijkt dat tot nu toe het geval. De afgelopen week liet fraaie stijgingen zien van de Amerikaanse detailhandelsverkopen, de nieuwbouw van huizen, en orders voor de industrie. Het jongste inflatiecijfer, de rapportage van de producentenprijzen, wees vrijdag op een veel grotere prijsdaling dan analisten hadden verwacht.

In die omstandigheden begroeten beleggers zelfs een sterke stijging van de prijs van ruwe olie, die vrijdag plaatsvond na een snel akkoord tussen de olieproducerende landen over produktiebeperkingen. Niet de mogelijk inflatoire dreiging van de olieprijs overheerste de stemming op Wall Street, maar de gunstige effecten op de winst van oliemaatschappijen. En gisteren waren het gunstige winstcijfers van het Dow-fonds Union Carbide die de index kort door de 10.000 punten duwden.

En zo breekt Wall Street alle records: de koers-winstverhouding voor de S&P 500-index bevindt zich nu boven de 34, een absoluut record. Het dividendrendement, het percentage aan dividend dat ten opzichte van de beurskoersen wordt uitgekeerd, zit op een recordlaagte van 1,1 procent. Omdat de rente op de kapitaalmarkt sinds begin dit jaar fors is gestegen van 4,6 procent naar 5,2 procent, is de verhouding tussen het dividendrendement op aandelen en de rente op obligaties nog nooit zo precair geweest als nu.

Maar toch blijven de koersen stijgen. Maakt de Amerikaanse economie inderdaad een wonderlijke periode van productiviteitsstijging door die er voor zorgt dat de prijzen niet hoeven te stijgen in de snel goeiende economie? Is er sprake van een onhoudbare spiraal, waarin particulieren hun vermogen uit gestegen beurskoersen consumeren, waardoor de economie extra hard groeit en de beurskoersen verder stijgen, of geven de macro-economische modellen gewoon geen antwoord meer?

Nu is het Dow Jones-gemiddelde niet zaligmakend. De veel bredere Rusell-indices die de kleinere aandelen volgen, doen het lang niet zo goed. Maar daar staat tegenover dat de nieuwe technologiefondsen ook niet in de Dow meetellen, terwijl die weer veel harder zijn gestegen dan de rest van de beurs.

Waar de modellen dienst weigeren, is er altijd nog de wet van vraag en aanbod. De vraag naar aandelen door het beleggingbeluste publiek overstijgt structureel het aanbod van aandelen op de beurs. Elke tegenslag, zoals in de late zomers van 1996, 1997 en de herfst van 1998, lokt enkel een nieuwe horde van koopjesjagers naar de aandelenmarkt. Deze methode van buying the dips bleek totnutoe inderdaad de winnende strategie: de koersen herstelden telkens even spectaculair als ze waren gedaald. Maar waar de ratio ophoudt, begint het irrationele gedrag. Het doorbreken van de 10.000-grens kan evengoed een waarschuwing zijn voor beleggers dat de koersen nu wel heel erg hoog zijn, als een aansporing om nog meer geld in de beurs te steken. 10.000-profeet Yardeni baseerde zijn prognose ook goeddeeels op zeepbel-gedrag. Maar als Wall Street inderdaad een zeepbel is, dan was het sopje van uitzonderlijk goede kwaliteit.