De EU is meer dan geld alleen

De landbouwministers van de 15 EU–lidstaten hebben onlangs een akkoord gesloten over het toekomstig landbouwbeleid waarin nauwelijks strategische keuzes worden gemaakt (NRC Handelsblad, 5 maart).

Net als bij discussies over het EU-beleid in algemene zin werd ook hier erg veel aandacht besteed aan de financiële paragraaf: nulgroei voor de landbouwsteun en Nederland wil 1,3 miljard minder bijdragen aan de EU. Door die eenzijdige financiële focus komen de werkelijke vragen en uitdagingen rond de toekomst van de Europese Unie nauwelijks aan bod: geen wonder dat de kiezer zich niet betrokken voelt.

Ik zou drie onderbelichte aspecten willen noemen die samenhangen met de discussie rond de EU-steun voor de landbouw.

In de eerste plaats zijn reductie en – op termijn – afschaffing van prijssteun, importheffingen en exportsubsidies van ondermeer landbouwproducten het doel van de onderhandelingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Dit betekent een vrijere internationale concurrentie, waardoor, bijvoorbeeld, ontwikkelingslanden een eerlijker kans krijgen op de wereldmarkt. Een positieve vorm van ontwikkelingssamenwerking, die steun verdient.

Ten tweede: de EU-steun heeft betrekking op maar 40 procent van onze Nederlandse landbouwproductie: zuivel, vlees en graan. De rest van de productie concurreert uitstekend op een vrije markt. Op de wereldmarkt wordt gehandeld in bulkproducten, terwijl kritische consumenten steeds meer kwaliteit eisen waarop concreet wordt ingespeeld door `niches' in de markt te scheppen.

De beste reactie op het 2003 EU-scenario voor de zuivel is nu al gegeven door Albert Heijn met de recente actie voor biologische zuivelproducten, waar de consument best meer voor wil betalen, wetend dat deze zuivel niet is beïnvloed door hormonen en antibiotica en ook in andere opzichten milieuvriendelijk is verkregen. Een geëcologiseerde land- en tuinbouw schept kwaliteits`niches' die nauwelijks worden gedicteerd door wereldmarktprijzen.

Als derde punt maken de huidige afspraken rond het EU-landbouwbeleid de toetreding van vijf plus vijf nieuwe Oost-Europese leden vrijwel onmogelijk, omdat bij onveranderd beleid de uitgaven na toetreding een geschatte 30 procent hoger zouden worden. Die uitgaven voor het EU-landbouwbeleid zijn nu trouwens maar 0,5 procent van het gezamenlijke bruto nationale product van de EU15 ( maar toch nog 40 miljard euro).

Het zou goed zijn om de in geopolitiek opzicht zo belangrijke toetreding van nieuwe EU-leden niet te verzieken met weer een eenzijdige discussie over geld, uitgaande van een statische , passieve focus op de actuele toestand.

De ecologisering van de landbouw in Oost-Europa verdient veel meer actieve steun om ook daar `niches' te vormen voor karakteristieke producten en een moderne landbouw tot stand te brengen die kwaliteitsproducten levert voor kritische consumenten en die in evenwicht is met natuur en milieu. Landbouw als onderdeel van plattelandsvernieuwing. We hebben inmiddels op dit punt veel expertise die we kunnen delen.

De term `leapfrogging' wordt wel gebezigd voor ontwikkelingslanden om aan te geven dat, lerend van zogenaamde `ontwikkelde' landen, wellicht bepaalde stappen in de ontwikkeling kunnen worden overgeslagen. Dit geldt zeker ook voor de Oost-Europese landen waar de landbouw economisch nog belangrijker is dan bij ons en waar de ecologisering van het productieproces nog minder ver is voortgeschreden.

Ik pleit, kortom, voor veel meer inhoudelijke en toekomstgerichte discussies over de rol en de belangen van Nederland binnen de EU en voor een minder monomane focus op geld. Andere terreinen dan de landbouw bieden evenzovele interessante aanknopingspunten.

Prof.dr. J. Bouma is hoogleraar bodeminventarisatie en landevaluatie aan de Universiteit Wageningen