Volkscongres China was het heel erg eens

Gisteren is in Peking de jaarlijkse zitting van het Nationaal Volkscongres afgesloten. Plannen voor de herstructurering van de Chinese economie zullen worden voortgezet. Maar Peking is voorzichtiger dan een jaar geleden.

De afgevaardigde uit Hongkong voelt zich ,,een ornament''. ,,Wat is de bedoeling van onze aanwezigheid op het Nationaal Volkscongres als onze mening er niet toe doet?'' Als ingezetene van de in 1997 aan China overgedragen havenstad is hij niet gewend dat regeringsbeleid klakkeloos wordt goedgekeurd. Maar in China is dat praktijk en de 2.821 gedelegeerden die gisteren de elfdaagse jaarlijkse bijeenkomst van het Volkscongres (het parlement) beëindigden, hebben de nieuwe plannen die door de communistische partijtop zijn uitgestippeld, massaal goedgekeurd.

Uit het voorspelbare stemgedrag van de Chinese volksvertegenwoordigers lijken amper conclusies getrokken te kunnen worden. De partij neemt nu eenmaal de beslissingen en het parlement keurt ze goed. Maar dit jaar was het aantal tegenstemmen ongewoon laag. Volgens degenen die zich aan conclusies wagen, is dat niet het gevolg van een afname van de toch al geringe mondigheid binnen het parlement, maar bestaat er algehele instemming met de directe aanpak van China's premier, Zhu Rongji. Deze stak tijdens de presentatie van het werkrapport van de regering de tegenslagen en zorgen voor de toekomst niet onder stoelen of banken. En tijdens de persbijeenkomst na afloop van het congres bekende Zhu met gevoel voor dramatiek zijn werk niet naar behoren te hebben gedaan. ,,De financiële crisis in Azie heeft ons meer parten gespeeld dan wij hadden verwacht.''

Het toverwoord dit jaar was `financiële crisis'. Vrijwel de gehele politieke top haalde die aan om het hoe en waarom van China's huidige economische problematiek te verklaren. En hoewel buitenlandse economen geloven dat de verliezen van de staatsindustrie, de werkloosheidsgroei en een zwakke binnenlandse vraag eerder het gevolg zijn van China's wankele economische fundamenten, is de conclusie die de Chinese beleidsmakers hebben getrokken, van groot gewicht. Want over één ding heeft de afgelopen elf dagen oprechte overeenstemming bestaan: 's lands economische hervormingsprogramma moet worden voortgezet.

Het Chinese parlement stemde dan ook massaal in met de voorstellen voor wijzigingen van de grondwet die symbool staan voor de markt-georiënteerde stappen die het bewind, dat zich nog altijd communistisch noemt, in de afgelopen twintig jaar heeft genomen. Zo heeft de Deng Xiaoping-theorie, over de ontwikkeling van een socialistische markteconomie, een permanente plaats gekregen in de grondwet naast het marxisme en het Mao Zedong-denken. Formuleringen aangaande de duur van de `primaire fase van het socialisme' of de periode waarin kapitalistische ontwikkelingen noodzakelijk worden geacht, zijn zodanig veranderd dat het voortduren van die fase voor onbepaalde tijd is gegarandeerd. En in het belangrijkste amendement dat is goedgekeurd, hebben zelfstandige ondernemers, of de niet-staatssector zoals de particuliere sector in China officieel heet, voor het eerst in de geschiedenis van de Volksrepubliek een legitieme plek gekregen in de samenleving.

Tijdens het Volkscongres werd ook aangedrongen op een gepaste controle op de kapitalistische ontwikkelingen. Zowel in het beleidsplan van Zhu Rongji, als in dat van de ministers van financiën en staatsplanning, was de sturende hand van de centrale regering sterker aanwezig dan vorig jaar. Het goedgekeurde voorstel voor een kostbaar infrastructureel bestedingsplan, waardoor het begrotingstekort met maar liefst 56 procent zal toenemen, was volgens de premier en de ministers de enige garantie voor het bewerkstelligen van stabiliteit en een economische groei van zeven procent (0,8 procentpunt minder dan het afgelopen jaar). Dat daarmee de investeringsruimte voor de zojuist gelegaliseerde particuliere sector sterk afneemt, wordt in Peking beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Zelfstandige ondernemers, die een belangrijke bijdrage leveren aan het behoud van stabiliteit en een motor zijn van de economische groei, trekken derhalve nog altijd aan het kortste eind.