Opkomstplicht helpt niets

Het geringe aantal kiezers dat op 3 maart naar de stembus toog heeft nogal wat politici aan het denken gezet over de vraag hoe deze ontwikkeling gekeerd kan worden.In ieder geval niet door de opkomstplicht weer in te voeren of de Eerste Kamer rechtstreeks te kiezen, vindt Jan te Veldhuis.

De lage opkomst bij de laatste verkiezingen voor de Provinciale Staten was bedenkelijk. De verdeelde statenzetels zijn, ondanks die lage opkomst, evenwel voor honderd procent gelegitimeerd. Maar de representativiteit ervan is een stuk minder. Dat geldt ook voor de zetels in de Eerste Kamer. Die 75 zetels worden in mei door de nieuwgekozen leden van de Provinciale Staten toebedeeld. Deze geringe vertegenwoordiging is geen onbelangrijk aspect voor de op deze indirecte manier gekozen parttime politici van de Eerste Kamer, wanneer zij moeten oordelen over wetgeving die al is geaccordeerd door het kabinet en de direct gekozen leden van de Tweede Kamer.

Al tijdens de verkiezingscampagne kwamen verschillende politici met voorstellen om de opkomst van de kiezers te vergroten. Marijnissen (SP) wil de in 1970 afgeschafte opkomstplicht opnieuw introduceren. De Hoop Scheffer (CDA) wil de verkiezingen voor twaalf Provinciale Staten over vier jaar spreiden. Rosenmöller (GroenLinks) stelt voor om de Eerste Kamer rechtstreeks te verkiezen. En premier Kok (PvdA) denkt aan het tegelijk houden van verkiezingen voor Provinciale Staten en gemeenteraden. Opvallend genoeg deed D66 – net als de VVD – in dit rijtje niet mee. En dat is ook verstandig. Want het `kort door de bocht'–gehalte dat de meeste voorstellen kenmerkt, is niet gering.

Het opnieuw invoeren van de opkomstplicht bij verkiezingen draait niet alleen de klok dertig jaar terug. Het gaat vooral voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid van burgers om zelf uit te mogen maken of men van zijn democratische rechten gebruik wil maken. En dat nog afgezien van de praktische uitvoerbaarheidsproblemen. Wat te doen met de vele mensen, die toch niet zijn gekomen? De absentie kan pas worden geconstateerd ná sluiting van de stembus. De uitslag staat dan vast. En wat zou de sanctie moeten zijn? Zal een opkomstplicht trouwens wel leiden tot een veel duidelijker uitslag, wanneer geen annexe stemplicht bestaat? Ik geef de voorkeur aan drang: politici moeten worden geprikkeld om de burger op te zoeken. Wanneer burgers gedwongen worden te komen, wordt het de politici wel erg gemakkelijk gemaakt.

Spreiding van verkiezingen voor Provinciale Staten over vier jaar, bijvoorbeeld elk jaar voor drie provincies, is ook geen goed idee. Zo'n spreiding herbergt de grote kans in zich dat Nederland in een roes van permanente verkiezingscampagnes terechtkomt. Verkiezingen voor gemeenteraden, Tweede Kamer, Europees Parlement, waterschappen (en wellicht ook nog de toekomstige referenda) zíjn al enigszins gespreid. Wanneer daar ook nog eens statenverkiezingen bijkomen, zouden de kiezers wel eens echt stembus-moe kunnen worden. Want elke verkiezing zal toch als een soort peiling en graadmeter voor de populariteit van politieke partijen worden beschouwd. Met alle gevolgen vandien voor de onvermijdelijke activiteit en de betrokkenheid van die partijen. De Hoop Scheffer vergeet bovendien dat in zijn voorstel de Eerste Kamer dan ook elk jaar voor, zeg gemakshalve, een kwart moet worden herkozen. Het is voor de stabiliteit en de overzichtelijkheid van het landsbestuur niet goed dat deze kans op jaarlijks wisselende meerderheden en minderheden in de Eerste Kamer wordt geïntroduceerd.

De Eerste Kamer rechtstreeks verkiezen? Dit voorstel van Rosenmöller betekent dat de Eerste en de Tweede Kamer beide een direct en gelijk mandaat van de kiezers krijgen. De Eerste Kamer wordt dan een doublure van de Tweede Kamer, ook al zijn senatoren part-time politici met een functie elders. Wie heeft dan het primaat? De laatstgekozen Kamer omdat die de meest actuele weerspiegeling van de kiezersgunst is? De Eerste Kamer dreigt op die manier een dermate gepolitiseerd gezelschap te worden in plaats van een college dat vooral let op de kwaliteit, de zorgvuldigheid, de rechtmatigheid, de doelmatigheid, en de uitvoerbaarheid van wetgeving. De lage opkomst bij de Provinciale Statenverkiezingen wordt overigens ook niet opgelost door de Eerste Kamer rechtstreeks te verkiezen.

Het idee van premier Kok en het PvdA-Kamerlid Rehwinkel om de verkiezingen voor de Provinciale Staten en gemeenteraden op één dag te combineren oogt op het eerste gezicht vriendelijk. Maar het is een testimonium paupertatis als de provincies de gemeenten nodig hebben om hun representativiteit te legitimeren. Terwijl nota bene diezelfde provincies de bewegingsruimte en het doen en laten van de gemeenten wettelijk en pseudo-wettelijk stevig beïnvloeden.

Meer er zit een adder onder het gras. In het regeerakkoord is namelijk bepaald dat er een dualistisch bestuurssysteem op provinciaal en gemeentelijk niveau zal komen. Dat wil zeggen dat Gedeputeerde Staten en colleges van B en W onafhankelijk komen te staan ten opzichte van Provinciale Staten en gemeenteraden.

De staatscommissie monisme en dualisme moet vóór 1 januari aangeven, hoe dat dualistische systeem in de praktijk moet worden vormgegeven. Als het zal gaan zoals op rijksniveau, dan krijgt het college van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om bij ernstige bestuurlijke conflictsituaties de provinciale staten te ontbinden, en om tussentijds nieuwe verkiezingen uit te schrijven. Moeten bij zo'n ontbinding dan ook alle gemeenteraden in die provincie opnieuw worden gekozen vanwege de koppeling van de verkiezingen op één dag, zelfs als het bij die gemeenten prima functioneert? Nee toch? En als één van de dualistisch functionerende colleges van B en W een gemeenteraad ontbindt en nieuwe verkiezingen uitschrijft, moeten dan de provinciale staten en andere gemeenteraden ook opnieuw worden gekozen vanwege die gekoppelde verkiezingsdagen?

Minister Peper stelt terecht dat de lage opkomst bij de laatste statenverkiezingen eerst grondig door deskundigen moet worden geanalyseerd. Daarbij zou dan vooral gekeken moeten worden naar de zeer lage opkomst onder jongeren en in grote steden, want daar gaat het op dit punt echt niet goed. Ligt het probleem bij de structuur van tussenbestuur van de provincies? Spreekt het takenpakket te weinig tot de verbeelding, of wellicht de invulling en uitvoering daarvan? Komt het, omdat via de provincies te weinig grote politieke idealen zijn te bevechten? Of komt het omdat de weggebleven kiezers wel tevreden zijn en geen veranderingen nodig vinden? Maar waarom komen ze dan wel in groten getale bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer op?

Daarnaast moeten alle nieuwgekozen provinciale staten, elk voor zich en allen tezamen in het Interprovinciaal Overleg, de hand in eigen boezem steken en aan zelfonderzoek doen. De Commissarissen van de Koningin zouden daarbij het voortouw moeten nemen. De provincies moeten een plan de campagne maken om hun `producten' beter aan de burger te `verkopen', om de kloof tussen de burgerij en de provincie te dichten.

Maar er zijn méér mogelijkheden om de burger te betrekken bij het provinciale werk.

* Kiezen en stemmen per telefoon en/of internet. Daarmee is al ervaring opgedaan bij een waterschap.

* Via die nieuwe technieken moet het de kiezer ook gemakkelijker worden gemaakt om eenvoudig per volmacht of buiten z'n stemdistrict te kunnen stemmen.

* Bij de introductie van een dualistisch bestuurssysteem zal de provinciale politiek levendiger, opener en spannender kunnen worden. Provinciale Staten staan dan onafhankelijker ten opzichte van Gedeputeerde Staten en kunnen dan meer op politieke hoofdlijnen sturen en controleren.

* In dat geval kunnen ook bestuurders van buiten de provinciale staten worden aangesteld. Daardoor ontstaat een groter reservoir aan kwalitatief goede bestuurders, wat de professionaliteit van het bestuur zeker ten goede komt.

* Zoals in gemeenten vaak wijk-wethouders zijn, zo kunnen gedeputeerden bijvoorbeeld elk een regio in de provincie voor hun rekening nemen, om daar maandelijks het oor te luister te leggen.

Niet de vorm maar de inhoud moet centraal staan wanneer veranderingen terzake van deze bestuurslaag worden nagestreefd.

Jan te Veldhuis is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de VVD-fractie.