Man en snoep

Sommig snoepgedrag is onbegrijpelijk. Zo zijn er mensen die nog maandenlang op hun Sinterklaaslekkernijen teren. Met Pasen smullen ze nog van een zweterig stukje marsepein en met Pinksteren peuzelen ze de laatste schreef van hun chocoladeletter op.

Het is gebruikelijk het vermeend gematigde snoepgedrag van de Nederlander te verklaren door de calvinistische kijk op genieten. Maar de Nederlanders zijn na de Finnen 's werelds grootste snoepers. Favoriete snoepjes zijn drop, pepermunt en hoestbonbons. Het merendeel van de Nederlanders ziet drop als medicijn. Pepermunt is goed voor de maag en hoestbonbons zijn verzachtend voor de keel. Met kauwgom kauw je tegenwoordig preventief gaatjes in tanden en kiezen weg. In zuurtjes zit vitamine C. Deze heilzame kijk op de snoepwereld maakt het makkelijk met de kleine zondes om te gaan. De Nederlander snoept niet om te genieten, maar om te genezen.

De Nederlander proeft met de portemonnee, zeggen de Belgen. Dat klopt, in hoeveelheden snoep staan de Nederlanders hoog op de wereldranglijst, in geld geven we weer minder uit dan anderen. De kwantiteit komt voor de kwaliteit. De aard van het snoepgoed is veelbetekenend. Nergens ter wereld worden er zoveel koekjes gegeten. Het zijn geen chique koekjes, het merendeel is merkloos.

Uit onderzoek blijkt steevast dat de vrouwen zich te buiten zouden gaan aan chocolade en andere zoetigheid en dat mannen die veelal versmaden. Ik geloof daar niets van. Hier moet het mechanisme van het sociaal wenselijk antwoord bij enquêtes in het spel zijn. Let maar eens op wat er gebeurt als aan het eind van het diner de schaal friandises op tafel verschijnt. Dan zie je vooral de mannenhanden reiken.

Er zijn twee snoepstijlen te onderscheiden, die van de bijters en die van de zuigers. De zuigers doen zo lang mogelijk met een snoepje, zij gaan voor het langzame genot. De bijters zijn uit op een heftige smaaksensatie, die noodzakelijkerwijs kort is. Het zou me niets verbazen als zich onder de zuigers veel vrouwen bevinden, terwijl bij de bijters de mannen zijn oververtegenwoordigd. Het is een mooie hypothese voor een onderzoek, als de mannen tenminste willen meewerken.

Een taboe is een groot woord, maar over het snoepen hoor je volwassen mannen zelden. Een man snoept niet. Zelf heb ik op 26-jarige leeftijd op de vooravond van de uitreiking van mijn ingenieursdiploma voor het laatst een kauwgombal uit een automaat gehaald. Op de een of andere manier leek me het draaien van kauwgomballen niet in overeenstemming met de verworven academische status. Het was wel jammer, want dankzij een geoefende draaitechniek slaagde ik er vaak in twee of meer ballen voor een kwartje aan de automaat te ontfutselen.

Als mannen zich al over snoepen uiten is het op de besmuikte toon die bekentenisliteratuur kenmerkt. Annie Schmidt signaleerde ooit dat seks en snoepen veel met elkaar te maken hebben. Aan beide kleeft het odium van zondigheid. In het `Leesboek voor snoepers' van Jeanne Roos, een onovertroffen standaardwerk over snoep en snoepgedrag, staan een paar getuigenissen van onder meer Karel van het Reve, Adriaan van Dis en Rinus Michels. Karel van het Reve mag sinds zijn dood in geen enkel stukje ontbreken, zelfs niet als het over snoepen gaat.

Van het Reve - `ik wil altijd wel snoepen, maar dat wordt geacht slecht te zijn' - verhaalt over het zakje marsepeinen aardappeltjes dat hij al vijftig jaar lang met Sinterklaas krijgt. Op de avond zelf probeert hij er ongemerkt zoveel mogelijk van te eten, een schamele drie of vier. Daarna wordt zijn zakje geconfisqueerd en krijgt hij tot ver in het nieuwe jaar af en toe een marsepeinen aardappeltje. En dat terwijl ze vers het lekkerst zijn.

Het is een navrant verhaal. Vrouwen belemmeren mannen in het onbekommerd snoepen, eerst als moeder, later als echtgenote. Wederom blijkt het asymmetrische karakter van de emancipatie. Vrouwen krijgen nog steeds de gouden dozen met fraaie strikken, die mannen niet zijn gegund. Een van de grote onrechtvaardigheden in het sociaal verkeer is dat een man nooit een doos bonbons krijgt.