Landbouwcommissaris vleugellam

De toekomst van het Europese landbouwbeleid, waarover de besluitvorming in een cruciaal stadium verkeert, is uiterst ongewis door het opstappen van de Europese Commissie.

Wat het vertrek van Europees Commissaris Franz Fischler voor Landbouw en Plattelandsontwikkeling betekent is volstrekt onduidelijk. De voormalige Oostenrijkse bondsminister van Land- en Bosbouw wordt in het rapport van wijze mannen over het functioneren van de Europese Commissie in het geheel niet genoemd. Dat neemt niet weg dat hij even vleugellam is als zijn collega's, juist nu de belangrijkste hervorming van het Europees landbouwbeleid aan de orde is sinds de totstandkoming ervan in 1962.

Fischler toonde zich eind vorige week nog tevreden over het resultaat van de onderhandelingen van de vijftien ministers van Landbouw, die bijna drie weken debatteerden over het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid. Inhoudelijk waren de ministers het eens over de `dossiers' wijn, zuivel, akkerbouw en rundvlees, maar de kosten van het nieuwe beleid vallen hoger uit dan gewenst. Reden voor onder andere Nederland een voorbehoud bij het compromis te maken.

Franz Fischler, wiens stem als Commissaris van wezenlijk belang is, tekende geen verzet aan tegen de aanpassingen op zijn voorstel voor de nieuwe landbouwparagraaf in Agenda 2000, waarin het beleid voor het begin van de volgende eeuw wordt geschetst. Zou de bereikte oplossing voor hem onaanvaardbaar zijn geweest, dan had hij zijn voorstellen kunnen terugtrekken om de ministers met nieuwe plannen te confronteren. Binnen de Europese Unie hebben niet de ministers recht van initiatief, maar de Commissie.

Nu er een landbouwcompromis ligt waarmee de Commissie kennelijk kan leven, is een definitief besluit aan de regeringsleiders van de Europese Unie, die eind deze maand in Berlijn bijeenkomen. Of ze akkoord gaan is een open vraag, omdat de financiën verre van geregeld zijn. Gaat de Eurotop op initiatief van bijvoorbeeld Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk opnieuw sleutelen aan het compromis, dan is de vraag hoe Fischler zich opstelt of op kàn stellen. Naar begrippen van Nederlands Staatsrecht kan immers worden gezegd dat Fischler en zijn collega's nu demissionair zijn. Hun precieze status is overigens onderwerp van koortsachtige studie onder Brusselse juristen.

Vaststaat dat Fischler nu geen belangrijke initiatieven kan nemen, maar waarschijnlijk evenmin gewichtige besluiten van de Berlijnse top kan blokkeren.

Op het landbouwfront is op dit ogenblik niets zo belangrijk als Agenda 2000. Andere `zware onderwerpen met deadline' prijken niet op de lijst van initiatieven. Wel speelt de Commissie een belangrijke rol in de onderhandelingen met de Verenigde Staten bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in het bananenconflict. De huidige status van Fischler is daarop echter van weinig invloed.

Zoals demissionaire ministers kunnen terugkeren in een volgend kabinet, zo kunnen ook Europese Commissarissen opnieuw worden benoemd door de Algemene Raad. In het geval van Fischler lijkt daartoe in principe niets in de weg te staan, zeker niet omdat zijn blazoen onbevlekt blijkt te zijn. De man die in 1978 aan de agronomische faculteit van de Universiteit van Wenen promoveerde, wordt alom als buitengewoon deskundig gezien met een groot hart voor natuur en milieu. Bovendien is hij inmiddels in de ogen van de Oostenrijkse politiek zo `Europa-minded' dat terugkeer naar een nationaal kabinet uitgesloten lijkt. Erg rationeel werkt echter ook de Brusselse politiek niet en dus valt evenmin uit te sluiten dat Fischler bij de formatie van een nieuwe Commissie tussen wal en schip belandt.