Kunstonderwijs (1)

In een interview (NRC Handelsblad, 4 maart), doet staatssecretaris Van der Ploeg een aantal boude beweringen over `pseudo-opleidingen' binnen het kunstvakonderwijs. Als voorbeeld daarvan noemt hij de HBO-opleidingen `Kunst en Management' waar (naar zijn overtuiging) ,,vaak studenten terecht komen die niet door de toelatingsexamens van het kunstvakonderwijs komen.''

Als docent aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, afdeling Kunst- en Mediamanagement, wil ik de staatssecretaris er graag op wijzen dat deze opleiding postpropedeutisch is, wat wil zeggen dat studenten die bij ons toegelaten worden juist al een jaar (of meer) aan een kunstvakopleiding of een managementopleiding achter de rug hebben. Daarnaast moeten zij al aantoonbare ervaring hebben in de organisatie van culturele evenementen. De studenten die bij ons mogen beginnen zijn dan ook bepaald niet de kneusjes waar de staatssecretaris ons in wil doen geloven, en die in zijn woorden ,,juist vaak moeite hebben met het vinden van een baan.''

Tachtig procent van de afgestudeerden van het HKU-programma `Kunst- en Mediamanagement' vindt binnen enkele maanden na het afstuderen een baan of werkt in projecten die hij/zij geïnitieerd heeft als `cultureel ondernemer' (een geliefkoosde term van Van der Ploeg, waarvoor hij overigens schatplichtig is aan onze hoofddocent Giep Hagoort die dit begrip in 1992 in Nederland introduceerde).

Een probleem van de opleiding is nu juist dat onze studenten bijna te succesvol zijn: tijdens stages blijken stageverlenende instellingen vaak zo enthousiast over het niveau en de inzet van onze studenten, dat ze deze al voor het einde van hun studie een baan aanbieden, waarna het afstudeertraject begrijpelijkerwijs minder prioriteit voor ze heeft. Wat zou je als staatssecretaris nog liever willen, vraag ik me af?