Knallen op zondag

In de luwte van de wijngaard staat een ren van kippengaas. Altijd als ik er 's zomers langs kom ga ik even kijken, en altijd denk ik eerst dat hij leeg is. Zó stil houden zich de fazantenkuikens, dicht tegen de grond gedrukt. Van onder de broedlamp worden ze naar hier gebracht, een eerste stap in hun verwildering. Eén keer in de twee dagen komt er een jongen uit het dorp om ze water en voer te geven.

Na een paar weken zijn ze op kracht, en ook zo schuw, dat ze losgelaten kunnen worden. Een paar maanden lang moeten ze het zelf buiten redden, en dan mogen ze gejaagd worden.

Ik doe er niks aan, aan die rituele slachtoffers, want ik ben bang voor de volkswoede. De Franse jachtlust is zo wijdverbreid en besmettelijk dat twee Hollandse dametjes die hier al jaren wonen, mij toevertrouwden dat ze het wel gezellig vonden, dat knallen op zondag als ze nog in bed lagen. Ik heb alleen een plastic huzaartje, met het geweer in de aanslag, op een latje van de kooi gezet. In de hoop dat de vogels zich hun vijand inprenten. Nu, midden in de winter, zijn de kuikens weg. Wild geworden. Het hele land is leeg, op de jagers met hun honden na. Alleen roodborstjes vergezellen me op de wandelingen, van paaltje naar takje. Zij zijn ook de enige die hun bek open doen, bij elk bosje klinkt een variant van hun metalen liedje. De jagers die tegen hun auto of tegen een boom geleund staan, knikken mij zwijgend toe.

Ik loop het bospad af, naar de rivier. Jaren geleden heb ik hier een stelletje reeën gezien in de winter. Nu zelfs geen prent in de modder. Plotseling wordt de onheilspellende stilte die over alles ligt doorbroken: een woest geloei steekt op in de vallei. De laatste meters hol ik naar beneden. De rivier stroomt hard, maar een kudde rode `limousines' die op mijn kant thuishoort trekt zich niets aan van het wassende water en waadt naar de overkant. De leider is de glibberige oever al opgeklommen, en dan zie ik waar hij brullend op afstormt: een andere stier is het niemandsland binnengedrongen dat de weiden scheidt. Aan het hek begint een titanenstrijd. Bramen maken 'full bodycontact' moeilijk en de stieren leven zich briesend uit op de struiken. De koeien en kalveren houden het al gauw voor gezien en beginnen het modderige veld af te grazen. De stieren blijven brullen, het schuim vliegt met vlokken over hun flanken en het groen wordt tot moes gestampt. Maar voor de laatste barrière, twee prikkeldraden tussen een paar boomstammetjes, houden de kolossen halt. Veel gesnuif en stoten van koppen, maar geen van beide waagt het de afscheiding te lijf te gaan, telkens koelen de stieren hun woede op graspollen en takken. Na tien minuten hangen de varens van hun hoorns en glimmen hun schoften van slijk en schuim. Het begint te regenen. Ik zoek dekking onder een boom. Het geloei sterft weg, en de cirkels die de stierennekken beschrijven worden almaar groter, steeds verder weg van het hek. Schoorvoetend voegen de patriarchen zich weer bij hun families. Hier en daar hoor ik auto's starten. Ook de jagers pakken hun biezen. De drift is geblust.