Keizer Wilhelm

In zijn column Onze Eeuw in NRC Handelsblad van 2 maart, noemt Geert Mak het grensplaatsje Eijsden, waar de Duitse keizer op 10 november 1918 op asiel moest wachten, de ultieme vernedering voor het ooit zo trotse Duitsland. Dit lijkt mij ietwat overdreven.

De vlucht naar Nederland was veel meer een tragedie voor de keizer persoonlijk, die, hoewel met goede bedoelingen bezield, voor de geschiedenis de verantwoordelijkheid kreeg te dragen voor de ondergang van zijn Huis (Hohenzollern) en de verminking van zijn staat (Pruisen), die in de vorm van gedwongen afstand van belangrijke gebieden, zoals de provincie West-Pruisen en Opper-Silezië, de prijs moest betalen voor de Duitse nederlaag in 1918.

Pruisen heeft zich van deze klappen nimmer geheel hersteld en rekte zijn bestaan nog tot 1934, toen het als gevolg van de gelijkschakelingswet in feite ophield te existeren, zodat de ontbinding door de Geallieerde Controleraad in 1947 slechts de bevestiging van een reeds bestaande toestand was.

Al is Pruisen als staat na een roemrijk verleden ten onder gegaan, de deugden, waarvan deze staat bij uitstek de belichaming was, zoals plichtsbetrachting, soberheid, esse non videri (`zijn, niet schijnen') en niet in het minst suum cuique (`ieder het zijne') leven in het staatkundig leven van Duitsland voort en ook nu nog belijden leidende persoonlijkheden in dat land, zoals de oud-bondskanselier Helmuth Schmidt, publiekelijk deze deugden.

Een requiem voor Pruisen is dan ook niet op zijn plaats. Wat de kwestie van de neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog betreft, officieel was ons land neutraal, maar dat sluit sympathie voor deze of gene belligerent niet uit.