Flexibele krijgsmacht is zorg hele kabinet

De minister van Buitenlandse Zaken, Van Aartsen, heeft in zijn toespraak van 9 maart jl. een krachtig pleidooi gehouden voor een duidelijke Europese defensie-identiteit (NRC Handelsblad, 10 maart). Hij ziet hierin een belangrijke plaats voor Nederland; het is een lijn die hij al eerder heeft getrokken en die terecht een zelfbewust Nederlands buitenlands beleid nastreeft. Maar dat moet dan wel zijn weerslag hebben in de Nederlandse defensie-inspanning. Daar moet elementair over worden nagedacht.

De Nederlandse krijgsmacht draagt, volgens de plannen van De Grave zoals die in de Hoofdlijnennotitie staan, in alle opzichten nog de sporen van de Koude Oorlog. In de eerste plaats betreft dit de verdeling van de middelen over en de opbouw van de krijgsmachtdelen. Het is de verkleinde versie van de krijgsmacht van voor de val van de Muur. Wel is daar later de taak `vredesoperaties' aan verbonden, waarbij de gedachte is ontstaan dat `vredesoperaties' en `verdediging van het NAVO-grondgebied' per definitie totaal verschillende dingen zijn. Dat is onjuist.

Veel latente of reeds uitgebroken, aanvankelijk kleinschalige, gewapende conflicten aan de grenzen van Europa kunnen een directe bedreiging voor Europa worden. Sommige van die crises, zoals op de Balkan, zijn dat nu al. Het beheersbaar maken van die conflicten is dus noodzaak. Een belangrijke conclusie die nu getrokken kan worden is dat het tot nu toe gemaakte onderscheid tussen capaciteiten voor vredesoperaties en voor een groot conflict onjuist is. Dat moet zijn weerslag hebben in de opbouw van de krijgsmacht.

Een actueel voorbeeld is Kosovo. Als er de komende dagen in Parijs geen wapenstilstand wordt gesloten, dan staat een veel groter militair conflict voor de deur. Een blijvend staakt-het-vuren heeft echter alleen kans als er een sterke NAVO-macht wordt gestationeerd om toezicht te houden op het bestand. De voorbereidingen voor zo'n macht worden thans getroffen. Alle landen gaan daar met reguliere zware eenheden heen. Eenheden die afschrikken en niet kwetsbaar zijn voor intimidatie door de Serviërs of Albanezen, en die ook voorbereid zijn op escalatie van het conflict.

Maar er is meer mis met de filosofie waarop de Hoofdlijnennotitie is gebaseerd. Die filosofie gaat namelijk nog uit van een verouderde gedachte over de fasering waarin conflicten zich ontwikkelen. Het tot nu toe aangehangen principe is dat er een `vredessterkte' (van circa 55.000 militairen) voor de krijgsmacht bestaat. Die is gebaseerd op een indertijd willekeurig en situationeel bepaald `ambitieniveau': met zoveel vredesoperaties willen wij meedoen, maar niet met meer. Men kan daaruit de onjuiste conclusie trekken dat er altijd vrijblijvendheid is voor wat betreft het al of niet deelnemen aan die `vredesoperaties'. Vervolgens, als een grote dreiging imminent is – om met Koude-Oorlogstermen te spreken: ,,als de Russen binnen enkele weken met grote waarschijnlijkheid aanvallen''–, wordt er gemobiliseerd en komt de krijgsmacht op de eveneens vastgelegde `oorlogssterkte' (circa 90.000 militairen). Zo'n mobilisatie is dan een zware kabinetsbeslissing. In de ontwikkeling van de internationale situatie is echter geen scenario meer denkbaar waarin dat moment van mobilisatie, van overgang van vredestijd naar oorlogstijd, nog scherp zichtbaar is. Het gaat altijd om een glijdende schaal.

Langzaam kunnen conflicten uit de hand lopen en zijn er gaandeweg meer middelen nodig om fatale uitbreiding te voorkomen. Indien voor Nederland de benodigde middelen niet meer uit de `vredessterkte' kunnen worden geput, zou ons land, in het huidige systeem, internationaal automatisch aan de kant komen te staan. Dat mag niet gebeuren. De reden waarom Frankrijk, Engeland, Duitsland en Amerika zich zo inspannen om bijvoorbeeld een troepenmacht voor Kosovo te formeren is de angst dat, als dat conflict niet bedwongen wordt, het zich zal uitbreiden en een direct gevaar voor Europa wordt. Er dreigen aan de randen van Europa echter nog veel meer van dit soort conflicten. Nederland is aan zijn status verplicht ook in toekomstige noodsituaties troepen te leveren.

Het vergt wel flexibiliteit van de krijgsmacht. Eind vorige maand bezocht de minister De Grave de troepen in Bosnië. Ze zullen daar nog heel lang moeten blijven, zo concludeerde hij. De laatste dagen is dat weer duidelijk gebleken. Hetzelfde geldt voor de troepen die naar Kosovo gaan. Het maakt de ruimte voor toekomstige nieuwe operaties wel kleiner. Het systeem van legervorming zou het mogelijk moeten maken dat, als de internationale situatie daarom vraagt, de krijgsmacht soepel, tijdelijk en gefaseerd kan worden versterkt door het oproepen van reeds geformeerde reserve-eenheden. Andere landen kennen zo'n systeem reeds lang. Vooral Amerika maakt er veel gebruik van, bijvoorbeeld nu in Bosnië.

Die flexibiliteit is overigens ook nodig voor wat betreft de financiering. De huidige operaties vergen al meer extra geld dan gepland. Als de budgetten, die Defensie en Buitenlands Zaken daarvoor hebben, zijn uitgeput, moet Defensie dan verder bezuinigen op bijvoorbeeld investeringen? Dan kan dus niet, dan eet men zichzelf in een paar jaar op.

Sinds lange tijd was de krijgsmacht niet zo'n belangrijk instrument voor de actieve Nederlandse buitenlandse politiek als thans. De Nederlandse krijgsmacht is echter te star en gebaseerd op een concept uit een voorbije periode. Terwijl de veiligheidssituatie aan de randen van Europa zeer onzeker is, worden er plannen op tafel gelegd die de omvang, de vorm en de mogelijkheden van de krijgsmacht voor de komende 10 à 15 jaar vasttimmeren. De krijgsmacht moet beter worden afgestemd op de onzekere internationale veiligheidssituatie en een flexibeler opbouw krijgen. Dit moet een zorg zijn voor het hele kabinet, met name voor de minister van Buitenlandse Zaken. Maar evenmin gaat het zonder de minister van Financiën en de minister-president.

De door minister De Grave aangezette discussie heeft een te smalle basis en wordt op het verkeerde niveau gevoerd. Het gaat veel te veel over de moeren en bouten en te weinig over de grondslagen. Minister Van Aartsen heeft in zijn rede van 9 maart de basis gelegd voor een echt debat.

J. Schaberg is generaal-majoor b.d. van de Koninklijke Landmacht.