De VS zijn in Afrika de weg kwijt

Washington onthaalt dezer dagen ruim honderd ministers uit Afrika. De Amerikaanse belangstelling voor het zwarte continent is groot, maar het beleid zet weinig zoden aan de dijk.

De nestor onder de Afrikaanse diplomaten in Washington, de ambassadeur van Djibouti, Roble Olhaye, sprak dit weekeinde van een ,,Amerikaanse show''. Hij doelde op de driedaagse conferentie die vandaag begint in Washington. Meer dan 100 ministers van 46 landen bezuiden de Sahara – alleen delegaties uit Somalië en Soedan ontbreken – gaan achter gesloten deuren in discussie met leden van de Amerikaanse regering. President Clinton en VN-secretaris-generaal Kofi Annan spreken de bijeenkomst vandaag toe.

Susan Rice, onderminister van Buitenlandse Zaken belast met Afrika, sprak zaterdag van een ,,historische bijeenkomst zonder weerga''. De deelnemers moeten ,,een tussenbalans opmaken van de Afrikaans-Amerikaanse partnerrelatie'', een jaar nadat president Clinton deze lanceerde tijdens een tiendaagse reis door Afrika. Weergaloos, jazeker. Nooit eerder hebben de VS zo'n massaal samenzijn met Afrikaanse leiders georganiseerd. En nog nooit was de Amerikaanse Afrikapolitiek zo stuurloos als nu.

Clintons Afrikabeleid leed de afgelopen jaren achtereenvolgens onder het Somaliësyndroom – veroorzaakt door de beelden van een Amerikaanse GI die in oktober 1993 levenloos door de straten van Mogadishu werd gesleurd – en het Rwandasyndroom: de genocide van 1994 en de schaamte over de Amerikaanse afzijdigheid, die was ingegeven door het Somalische fiasco. In januari 1997 haalde Clinton de academica Susan Rice naar het State Department en daarna werd de toonzetting van het Afrikavertoog aanzienlijk optimistischer. De democratische omwenteling in Zuid-Afrika, in 1994, en het optreden van krachtdadige `nieuwe leiders' in Oeganda, Rwanda, Eritrea en Ethiopië ontlokten aan Rice jubeltonen over een `Afrikaanse Renaissance'. De onderminister bespeurde in Afrika beter leiderschap, ontluikende democratieën en ,,een goeddeels onbenutte markt van 700 miljoen consumenten''. Deze wat selectieve blik op de Afrikaanse werkelijkheid bleek ook uit het reisplan van Clinton, vorig jaar. De president bezocht relatief succesvolle landen als Ghana, Senegal, Oeganda, Zuid-Afrika en Botswana, maar liet de grootste en meest problematische landen van het continent – Nigeria, Soedan, Congo en Angola – links liggen.

De vier zuilen onder Clintons Afrikapolitiek zijn: integratie van Afrika in de wereldeconomie, waarbij niet hulp, maar handel vooropstaat; bestrijding van internationaal terrorisme, wat in Afrika neerkomt op isolering van het moslim-fundamentalistische bewind in Soedan; bevordering van democratie en respect voor mensenrechten en handhaving en/of herstel van vrede en stabiliteit. De regering-Clinton laat zich voorstaan op twee recente beleidsinitiatieven voor Afrika. Allereerst de African Growth and Opportunity Act, een wetsontwerp dat importheffingen op Afrikaanse textiel en kleding schrapt en handelsvoordelen biedt aan Afrikaanse exporteurs in ruil voor openstelling van Afrikaanse markten voor Amerikaanse producten. Het ontwerp is in maart 1998 aangenomen door het Huis van Afgevaardigden, maar de Senaat schoof behandeling ervan op de lange baan. Vooral senatoren uit zuidelijke staten zien in de wet een bedreiging voor de industrie aan het thuisfront.

Het tweede paradepaardje is het in 1997 gelanceerde African Crisis Response Initiative (ACRI), een trainingsprogramma voor militairen uit Afrikaanse landen, gericht op de vorming van parate bataljons, die in geval van een conflict of humanitaire crisis gezamenlijk kunnen ingrijpen, met logistieke steun van de VS. Afrikanisering van vredesoperaties, heet deze nieuwe aanpak. Alleen landen waar de militairen gehoorzamen aan verkozen burgerregeringen komen in aanmerking voor deze bijstand. Senegal, Mali en Oeganda vielen binnen de termen, maar militair bestuurd Nigeria, dat al jaren het leeuwendeel van de Afrikaanse vredesoperaties voor zijn rekening neemt, bleef vooralsnog buiten het programma.

Clinton had de thuisreis nog niet aanvaard of de `nieuwe leiders' van Eritrea en Ethiopië raakten verwikkeld in een grensoorlog en president Kabila van Congo, die met ten minste stilzwijgende steun van de VS dictator Mobutu had verdreven, kreeg te maken met een militaire opstand, die wordt gesteund door de Amerikaanse bondgenoten Oeganda en Rwanda.

Bemiddelingspogingen van de VS in de Hoorn van Afrika faalden tot dusverre en ook met de snel escalerende oorlog in Congo, waarbij inmiddels zeven buurlanden zijn betrokken, wisten de Amerikanen geen raad. Washington hamert op de `territoriale integriteit' van Congo, die zichtbaar is geschonden, maar wraakt schendingen van de rechten van de mens door Kabila en de zijnen en noemt de veiligheidsbelangen van Rwanda en Oeganda in Oost-Congo `legitiem'. Het netto resultaat is Amerikaanse afzijdigheid in de grootste crisis die Midden-Afrika ooit heeft getroffen.

Als de VS daarin volharden, gaat de bijeenkomst die dezer dagen wordt gehouden in Washington de geschiedenis in als een weergaloze, maar zinloze show.