De echte Internationale

Een vlucht – anders kan Oskar Lafontaines plotselinge aftreden uit al zijn politieke functies niet genoemd worden. In plaats van te vechten voor zijn overtuiging, en er desnoods voor te sneuvelen, heeft hij er de voorkeur aan gegeven de handdoek in de ring te gooien.

Wat is de verklaring? Degene die hij, na drie dagen, heeft gegeven, is niet erg overtuigend: gebrekkig teamwerk. Maar dat verwijt slaat net zo goed op hemzelf terug. Eerder valt aan te nemen dat hij fysiek of psychisch (of om beide redenen) niet langer opgewassen was tegen de weerstand die zijn plannen en optreden in binnen- en buitenland hadden gewekt.

Mogelijk waren de gevolgen van de aanslag waarvan hij negen jaar geleden het slachtoffer werd – een gestoorde vrouw stak hem toen in de hals – toch groter dan het zich oppervlakkig liet aanzien. Hij zinspeelde zondag zelf op die mogelijkheid, en het lijkt plausibel.

Anders is het moeilijk te verklaren dat hij afstand heeft gedaan van al zijn politieke ambten: dus niet alleen dat van minister van Financiën, maar ook dat van partijvoorzitter, ja zelfs dat van lid van de Bondsdag. Vooral als partijvoorzitter had hij een machtspositie die sterker was dan die van bondskanselier Schröder. Als hij deze positie had behouden, zou hij buiten de regering een macht zijn gebleven waarmee rekening gehouden had moeten worden.

Maar hij heeft het niet gewild. Zijn nederlaag is dus totaal – politiek en psychisch. Maar tegen wie heeft hij die nederlaag geleden? Zeker, Schröder is – tot zijn eigen verrassing in feite – als winnaar tevoorschijn getreden, maar het zou een onderschatting van deze gebeurtenis zijn haar uitsluitend toe te schrijven aan een rivaliteit tussen twee kemphanen.

Die rivaliteit is slechts een symptoom van een veel dieper verschijnsel. Lafontaines keynesiaans socialisme heeft het per slot van rekening moeten afleggen tegen het nieuwe internationalisme, belichaamd in de gemondialiseerde economie, de centrale banken en de euro. Hij moet dat beseft hebben, en liever dan zijn huik naar de wind te hangen is hij van de ene dag op de andere van het politieke toneel verdwenen, zijn partij, waar hij grote populariteit genoot, in verwarring achterlatend.

De geschiedenis is weer eens ironisch geweest: het socialisme, dat de Internationale predikt, loopt zich te pletter tegen de internationale werkelijkheid, de echte Internationale is die van de ondernemingen, de banken en de regeringen die zich aan die werkelijkheid aanpassen. Of die aanpassing zichzelf nu `het nieuwe midden' dan wel `de derde weg' noemt – het blijft een aanpassing, en wie zich ertegen verzet, loopt tegen een muur (beter wellicht: een donzen deken) op.

Lafontaine heeft zijn voorgangers gehad. Ook president Mitterrand wilde, toen hij in 1981 aantrad, de `frontale strijd met het kapitalisme' aangaan. Maar na twee jaar, waarin Frankrijks handelstekort schrikbarend steeg, het kapitaal wegvloeide, de werkloosheid bleef stijgen en de franc moest devalueren, capituleerde hij, maar hij trad niet af.

Ook de Sovjet-Unie was een socialistisch experiment. Zij was in optima forma een poging te bewijzen dat de samenleving maakbaar was, door beteugeling van de krachten der economie en de menselijke behoeften. Ook dit experiment heeft het tenslotte niet kunnen bolwerken tegen de invloed van de tweeling: vrije markt en democratie.

We kunnen dit vaststellen zonder er met leedvermaak naar te kijken. Ja, je hoeft zelf geen socialist te zijn om toch in de déconfiture van het socialisme, in welke vorm dan ook, iets zorgwekkends te zien. Waar zal het idealistisch potentieel dat het socialisme lange tijd heeft weten aan te boren, zich op richten wanneer het niet veel meer dan een aangepast kapitalisme blijkt te zijn?

Minister-president Kok heeft enkele jaren geleden zijn partij, de PvdA, ermee gelukgewenst dat zij haar `ideologische veren' had afgeschud, maar met die uitspraak heeft hij geen grote geestdrift onder zijn aanhangers ontketend – eerder berusting. Hun liefde gaat nog altijd uit naar mensen als Den Uyl en Pronk – al behoren dezen tot de losers van de geschiedenis.

Zo kon ook Lafontaine zijn aanhangers in vuur en vlam zetten met de vergezichten die hij wist op te roepen. Zij vergaten dan dat hij tevens de machtspoliticus was die niet voor politieke moord terugdeinsde. Schröder is ook machtspoliticus, maar blijft altijd de pragmaticus, de Genosse der Bosse. Geliefd is hij dus niet in eigen partij, maar hij heeft geen keus.

Zonder Lafontaine wordt het verschil tussen SPD en CDU minder groot, wat het voor de CDU moeilijker zal maken zich als oppositiepartij te profileren, wanneer Schröder erin slaagt het heft eindelijk in handen te nemen en orde op zaken te stellen. De gelijkenis met de toestand in Nederland dringt zich op.

Eigenlijk had Schröder er, vóór de verkiezingen van 27 september vorig jaar, op gerekend dat hij met de CDU een grote coalitie zou vormen. Zijn onverwachts grote overwinning maakte dat hij de CDU niet nodig had om te regeren. Het betekende ook dat hij een volledig ander regeringsprogramma moest bedenken dan waarop hij gerekend had, wat mede het gestuntel van het eerste half jaar van zijn regering verklaart.

Aan dat gestuntel kan nu een eind komen. De SPD schuift op naar het midden, waar Schröder haar altijd had willen hebben, maar ontmoet daar CDU en FDP. Wat valt er nog te kiezen? De Groenen? Maar die zijn na hun nederlaag in Hessen zwaar gedemoraliseerd. Ook Joschka Fischer is een politicus van het midden geworden.

Brussel, Washington, Londen en Den Haag mogen met opluchting op Lafontaines heengaan gereageerd hebben, Duitslands politieke landschap ligt nog in een mist. Daar kan van alles uit voortkomen. En ook Lafontaine kan op een goed ogenblik weer uit zijn retraite tevoorschijn komen.

Rechtzetting

Op 5 maart stond hier dat `de laatste gouverneur-generaal' van Nederlands-Indië gezegd zou hebben `dat Nederland al driehonderd jaar in Indië zat en er nog wel driehonderd jaar zou blijven'. Verscheidene lezers hebben mij er opmerkzaam op gemaakt dat het niet de laatste g.g. was die dit gezegd zou hebben, maar de voorlaatste.

Zo had ik het ook geschreven, maar in de bewerking van mijn kopij is er kennelijk iets mis gegaan. Het was niet jhr. mr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer (1936-1945), maar jhr. mr. B.C. de Jonge (1931-1936) die op die manier van zijn verziendheid getuigd zou hebben (ik schrijf zou, omdat ik die uitspraak niet in zijn in 1968 verschenen Herinneringen heb kunnen terugvinden).