Aalten lobbyt voor onderduikersmuseum

In het Gelderse Aalten zaten in de oorlog veel onderduikers. Daar moet met een museum aandacht aan worden besteed, meent de gemeente. Het wachten is nu op geld van de provincie.

In het oude huis hangt de geur van mottenballen, kamfer en ongeluchte kleden. De zolder is koud en donker. In een van de wanden is een klein, vierkant gat gehakt. Erachter is het zwart: een onderduikplaats. De burgemeester wijst met zijn zaklamp: ,,Daar konden de mensen zich verstoppen. Kastje ervoor, klaar.''

Aan de Markt in Aalten staat naast het streekmuseum Frerikshuus al jaren een groot herenhuis leeg. Er heeft een winkeltje in gezeten, een kroeg en mogelijk een stokerij. Sinds 1993 is het onbewoond. Op zolder bevindt zich nog een originele onderduikplaats uit de Tweede Wereldoorlog. Dat bracht burgemeester T. Bouwers en de leden van het streekmuseum enkele jaren geleden op een gedachte: waarom het herenhuis niet verbouwd tot een museum waarin aandacht wordt besteed aan de unieke positie van Aalten in de oorlog? De Gelderse gemeente was in de oorlogsjaren niet alleen het centrum van het Achterhoekse verzet tegen de nazi's, maar ook de plaats met relatief gezien de meeste onderduikers. Op een totaal aantal inwoners van 13.000 verbleven er 2.500 onderduikers in Aalten. Bijna één op de vijf inwoners bij een landelijk gemiddelde van één op veertig.

Er is nooit echt onderzoek gedaan naar het waarom, maar volgens Bouwers is Aalten bovengemiddeld door de protestantse levensovertuiging enerzijds en door de gastvrije inslag anderzijds. ,,Aalten kende, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het naburige Winterswijk, haast geen NSB'ers, geen collaborateurs. Bovendien waren de gezinnen groot, een extra gast viel niet zo op.'' Een andere reden is dat de Aaltense dominee Delleman, die rond de oorlog naar Rotterdam verhuisde, contact hield met de plaatselijke verzetsman `ome Jan' Wikkerink en mensen vanuit het westen naar hem doorstuurde. Wikkerink zorgde in Aalten voor onderdak.

Bouwers zocht, in samenwerking met het bestuur van het streekmuseum, contact met onder andere het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, met de Stichting 1940-1945 en de Anne Frank Stichting. ,,In eerste instantie wilden we een verzetsmuseum in het pand onderbrengen. Maar daarvan zijn er al verschillende in Nederland, en we wilden niet meer van hetzelfde. Uiteindelijk bleek dat een onderduikersmuseum uniek zou zijn.'' En dus werd er besloten te streven naar ,,een museum waarin wordt getoond en ervaren hoe de burgerbevolking de jaren '40-'45 heeft beleefd en overleefd, in het bijzonder in de Achterhoek, met accenten op onderduikers, verzet (illegale drukkerij), huiselijk leven, distributie en schaarste (winkel), enz.'', zoals het in de plannen is verwoord.

Dat was eind 1997. Er werd een architect aangezocht, die na een paar maanden met een verbouw- en restauratieplan kwam. Totale investeringskosten: 3,2 miljoen gulden. Daarvan zou Frerikshuus een half miljoen voor zijn rekening nemen en de gemeente een miljoen gulden. Voor de rest van het bedrag werd vorig jaar aangeklopt bij de provincie Gelderland, die een speciaal potje heeft voor dergelijke initiatieven. Het werd Bouwers duidelijk dat de provincie ,,duidelijke sympathiek tegenover het idee stond''. De eerste aanvraag, vorig jaar, werd echter afgewezen: het geld ging naar andere projecten. Bouwers: ,,Naar projecten in de grote steden.''

Voor dit jaar is men in Aalten evenwel optimistisch gestemd. Eind deze maand stellen Gedeputeerde Staten een nieuwe verordening vast, op basis waarvan Provinciale Staten later dit jaar hun medewerking aan het museum kunnen geven. Bouwers: ,,We zijn al een tijdje druk aan het lobbyen. We hebben de meeste fracties inmiddels op bezoek gehad, en die vinden het zonder uitzondering een mooi project. Er is een meerderheid voor; dat geld komt er.'' Zelf denkt Bouwers dat ,,ergens in 2001'' de deuren van het museum opengaan. De gemeente financiert de exploitatie, 120.000 gulden per jaar. ,,We gaan conservatief uit van 15.000 tot 20.000 bezoekers per jaar. Er komen waarschijnlijk veel meer mensen, maar je moet jezelf niet rijk rekenen.''

De bezoekers komen straks in een museum waar ze kunnen ondergaan hoe het wonen en leven toen was. Met het streekmuseum wil Bouwers niet een pand met ,,paneel na paneel vol teksten''. De bezoeker kan interactief aan de slag met pc's en video's. ,,Je kunt zelf informatie opzoeken, zelf dingen ondergaan. Het pand en de aankleding moeten wel echt de sfeer van die jaren oproepen.'' En dat, beseft hij, kan nog wel eens een probleem worden, want waar vind je al die attributen.

Op de video's zullen getuigenissen te zien en te horen zijn van Aaltenaren die in de oorlog bij het verzet betrokken waren of die onderduikers hadden. Die video's worden de komende maanden opgenomen. Of in de oorlogsjaren ooit in het huis naar onderduikers is gezocht, is niet bekend.