Senaat moet enquête houden

Niet de Tweede, maar de Eerste Kamer moet parlementaire enquêtes houden, menen B.J. van der Vlies en Menno de Bruyne. De Senaat staat, door de minder prominente rol die ze in ons staatsbestel speelt, onafhankelijker tegenover nogal wat kwesties dan de Tweede Kamer.

Het aloude Handboek van het Nederlandse Staatsrecht van Van der Pot en Donner moet eens in de paar jaar aangepast worden aan de actualiteit. Toen de bewerker van dit standaardwerk, de Amsterdamse hoogleraar Prakke, in 1983 de paragraaf over de parlementaire enquête bij de tijd moest brengen signaleerde hij een toenemende populariteit van dit recht. Sceptisch voegde hij daaraan toe te vrezen dat de ,,politici, veelal dol op publiciteit, dit nieuw ontdekte speelgoed niet zo maar zullen willen prijsgeven.'' In de laatste druk, die in 1995 uitkwam, was de kritische ondertoon nog duidelijker. Prakke ontwaarde ,,boeiend spektakel dat de verhoren thuis op de buis opleveren'' en ,,politici die zich ongaarne de kans op een glansrol laten ontglippen.''

De Bijlmerenquête bewijst Prakke's gelijk. Want opnieuw blijkt een parlementair onderzoek een echte succesformule, zowel voor het instrument in z'n algemeenheid als voor enkele geachte afgevaardigden in het bijzonder. Zó zeer zelfs, dat radio en televisie de verhoren inmiddels integraal uitzenden. Nederlands drama van hoogwaardige kwaliteit, en dat niet in scène gezet in de Aalsmeerse opnamestudio's van een jaloers toekijkende Joop van den Ende, maar rechtstreeks door de publieke omroep uitgezonden verhoren uit de statige 17de-eeuwse vergaderzaal van de Eerste Kamer aan het Haagse Binnenhof. Geen duur betaalde showmasters en sterren uit de glamourwereld van het amusement, maar eenvoudige Kamerleden die gewoon hun dagelijkse werk doen.

Nou ja, dagelijks? Een enquête is voor een Kamerlid, ondanks de revival die dit instrument het laatste decennium doormaakt, geen dagelijkse kost. Niet ten onrechte is het enquêterecht betiteld als het zwaarste geschut dat de Kamer in stelling kan brengen. Het enquêterecht is een typisch controlerecht dat ertoe dient het parlement de mogelijkheid te geven zelfstandig onderzoek te doen naar feiten en gegevens en daartoe personen op te roepen, die onder ede tot antwoorden verplicht zijn. Op basis daarvan kan de commissie, en in haar verlengde de Kamer, zich een oordeel vormen over een bepaalde kwestie. De Tweede Kamer kreeg dit enquêterecht in 1848, en bijna veertig jaar later (1887) gold dit ook voor de Senaat en de Verenigde Vergadering.

Aanvankelijk maakte de Tweede Kamer dankbaar gebruik van haar nieuw verworven recht. Onderzoeken werden ondermeer ingesteld naar de exploitatie van de NS, een besmettelijke longziekte onder het rundvee en de uitvoering van het `Kinderwetje' van Van Houten. Daarna volgde (afgezien van de bijzondere enquête naar het optreden van de Nederlandse regering tijdens de oorlogsjaren in Londen) een enquêteloze periode, waar pas een eind aan kwam in 1983. Toen onderwierp de Kamer de ondergang van het Rijn-Schelde-Verolmeconcern aan een nader onderzoek om zo zicht te krijgen op de in dat concern verdwenen overheidsgelden. Deze RSV-enquête, met in de hoofdrol het markante trio Van Dijk, Van Dam en Joekes, smaakte kennelijk naar meer. Na `de grote sluimering' volgde, gechargeerd gezegd, de grote gretigheid. Er volgden parlementaire onderzoeken naar fraude met subsidies in de woningbouw, de geflopte fabricage van een fraudebestendig paspoort, de uitvoering van sociale verzekeringswetten, opsporingsmethoden van politie en justitie (IRT), en nu dus de Bijlmerenquête.

Ook de Eerste Kamer heeft het recht om te gaan `enquêteren'. De Senaat heeft echter nog nooit van dit recht gebruik gemaakt. In 1918 schijnt er even aan gedacht te zijn om via een enquête een goed beeld te krijgen van de tijdens de Eerste Wereldoorlog ingevoerde crisismaatregelen, maar tot een handzaam verzoek kwam het niet. Concreter was het voorstel van de senatoren Mol (PvdA), Trip (PPR) en Vis (D66), die in 1981 informatie wilden vergaren over de overeenkomst die Nederland met Frankrijk en Groot-Brittannië had gesloten over de verwerking van radioactief (kern)afval. Bang om een niet-gewenste discussie aan te zwengelen over kernenergie, stemde het toenmalige CDA-VVD-machtsblok tegen. Na dit debacle werd door de Eerste Kamer geen poging meer ondernomen om van het enquêterecht gebruik te maken.

Toch zijn er een paar goede redenen om niet de Tweede, maar de Eerste Kamer een parlementaire enquête ter hand te laten nemen. De Senaat staat, door de minder prominente rol die ze in ons staatsbestel speelt, veel onafhankelijker, en dus veel onbevangener tegenover nogal wat kwesties dan de Tweede Kamer. Er zijn niet veel onderwerpen te noemen waar de Tweede Kamer geen `partij' in was of is. Dat kan soms een voordeel zijn, maar gaat het om onafhankelijk onderzoek ten behoeve van latere oordeelsvorming, dan is zo'n positie op z'n minst minder wenselijk. Een enquêtecommissie bestaande uit leden van de Tweede Kamer ontkomt er in negen van de tien gevallen niet aan om een oordeel te vellen over het eigen functioneren. De vraag is of de Tweede Kamer dat moet willen, zeker als er een instantie is die eenzelfde onderzoek kan uitvoeren zónder te vervallen in de discutabele positie van `rechter in eigen zaak.'

Want rechter in eigen zaak is de Tweede Kamer natuurlijk. Dat blijkt duidelijk uit de conclusies van de recente enquêtes. De RSV-commissie: ,,De Tweede Kamer was vaak afwezig, onoplettend of vergeetachtig.'' Ook de Bouwsubsidiecommissie gaf een uitbrander: ,,Controle op de wijze van uitvoering van de regelgeving heeft nauwelijks plaatsgevonden'', omdat men ,,vooral oog had voor het aantal huizen dat werd gerealiseerd.'' In de paspoortaffaire ging de Kamer eveneens over de knie. ,,De rol van de Tweede Kamer heeft te veel in het teken gestaan van incidentele beoordelingen van sommige aspecten van het paspoortproject, waardoor zowel het aangeven als het bewaken van een consistent beleid onvoldoende heeft plaatsgehad.'' En last but not least het slotoordeel van Van Traa c.s.: ,,De Kamer is in de controle van opsporingsmethoden in het algemeen tekortgeschoten.''

Dat de Tweede Kamer zelf ook nattigheid voelde, bleek bij de aanloop naar de RSV-enquête. In een van de overleggen die aan de instelling van die commissie voorafgingen wierpen enkele fracties de vraag op of de Kamer, gezien haar betrokkenheid bij de steun aan de noodlijdende scheepsbouwer, wel de aangewezen instantie was om het onderzoek te doen. In dat verband werd tevens gesteggeld over de vraag of de enquêtecommissie leden en/of oud-leden van de Kamer zou mogen horen. Het gevaar werd weliswaar onderkend, maar na enig praten stapte men toch over de eerste aarzelingen heen. Met het bizarre gevolg dat de commissie op een gegeven moment een lid uit de eigen commissie moest verzoeken om achter de verhoortafel plaats te nemen.

Op basis van bovenstaande citaten kan natuurlijk worden gezegd dat de Kamer er niet voor teruggedeinsd is de hand in eigen boezem te steken. Inderdaad, dat is waar, maar de vraag is of een andere instantie niet tot datzelfde, of misschien wel een ander, zwaarder (?) oordeel zou zijn gekomen. Maar dit laat onverlet dat het voor de zuiverheid van de verhoudingen en oordeelsvorming slecht is en blijft als iemand rechter is in eigen zaak. Dat bezwaar klemt temeer nu er een ander orgaan is dat precies hetzelfde onderzoek kan verrichten met precies dezelfde (dwang)middelen, maar zonder die ingebouwde weeffout. Pikant is in dit verband dat de commissie-Meijer haar bevreemding liet doorschemeren over het onderzoek dat de Rijksluchtvaartdienst uitvoerde naar de ramp met de El Al-Boeing. Wie onderzoekt nu z'n eigen functioneren, kreeg directeur Wolleswinkel te horen.

Een tweede reden om de Eerste Kamer aan te zetten tot gebruik van het enquêterecht, is haar aard en functie. Zij is eerst en vooral de Kamer-van-heroverweging, de chambre de réflexion. Het dualisme dat in de Tweede Kamer een kwijnend bestaan leidt, tiert dan wel niet welig, maar gedijt – betreurenswaardige uitzonderingen daargelaten – best aardig in de Senaat. Daardoor komt de Eerste Kamer goed tot haar recht, hetgeen zich ondermeer uit in een onafhankelijker opstelling tegenover het knellende regeerakkoord en de daarop geënte wetgeving van het kabinet alsmede politieke afspraken in de dealingroom van Tweede Kamer en torentje. Die onafhankelijkheid kan de Senaat prima te stade komen bij de afweging om in een bepaalde kwestie waar ook (partij)politieke belangen op het spel staan, wel of niet een enquête in te stellen.

Hiermee hangt nog een ander voordeel samen. De samenstelling van de Senaat is dusdanig, dat de senatoren, beter dan hun evenknieën van `de overkant', in staat moeten worden geacht de rol van enquêteur te vervullen. Onlangs werd daar in deze krant nog de vinger bij gelegd door Harry van Wijnen die erop wees dat in de Tweede Kamer het aantal leden dat ,,ervaring met ondervragen heeft opgedaan, hetzij als rechter, hetzij als officier van justitie of advocaat'' dun gezaaid is. En geboren ondervragers van het type Theo Joekes of Marcel van Dam zijn zeldzaam, voegde hij er mismoedig aan toe. Ook in dat opzicht heeft de Eerste Kamer betere kaarten.

Dat komt omdat in de Senaat niet de beroepspolitici de toon zetten, maar afgevaardigden die van de politiek níet hun broodwinning hebben gemaakt, laatdunkend ook wel eens parttime parlementariërs of hobby-politici genoemd. Zij staan weliswaar met één been in Den Haag, maar met het andere been nog volop in de maatschappij, waar ze vaak nog een andere (hoofd)functie vervullen.

Uitvloeisel van de andere samenstelling van de Senaat is een ander type afgevaardigden, waarmee nog een ander voordeel van de Eerste boven de Tweede Kamer is gegeven wat betreft de uitoefening van het enquêterecht. Omdat de senatoren stukken minder last hebben van de politieke golfslag in de Hofvijver, hebben zij ook minder last van dat voor veel Tweede–Kamerleden zo typerende haantjes- en kippetjesgedrag. De noodzaak om zich te profileren teneinde toch vooral maar niet te zakken in de pikorde van de fractie en partij, is bij senatoren minder aanwezig dan bij de Kamerleden die met het oog op de volgende kandidaatstelling hun bestaan moeten bewijzen. Gelet op het publicitaire geweld waarmee enquêtes tegenwoordig gepaard gaan, is de afwezigheid van deze door Prakke gelaakte `glansrol–honger' bij senatoren meer dan een prettige bijkomstigheid.

Er bestaat alle reden voor de Eerste Kamer om wat zelfbewuster om te gaan met het recht om parlementaire onderzoeken uit te voeren. Het zou goed zijn als de Senaat zich daarbij met name zou richten op onderwerpen waar de Tweede Kamer in het verleden te veel partij in was of boter op het hoofd heeft. Zo kan de Eerste Kamer, die nu al toezicht houdt op de Tweede Kamer als mede-wetgever, ook een rol spelen als controleur van de controleurs van `de overkant'.

Ir. B.J. van der Vlies is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de SGP-fractie. Menno de Bruyne is medewerker van de SGP-fractie.