Pogorelich kan zo veel maar hij doet zo vreemd

Hij kan zo veel, maar hij doet zo vreemd. Dat was de indruk die de Kroatische meesterpianist Ivo Pogorelich maakte tijdens zijn Chopin-recital in het Amsterdamse Concertgebouw. Al bij de opening ging het mis. Met donderende octaven en akkoorden als mokerslagen, rukte Pogorelich de heroïsche Polonaise nr. 4 in c, op. 40 nr. 2 volledig uit zijn verband. De Polonaise op. in fis, op. 44 klonk iets minder onsamenhangend, maar ook hier konden subtielere passages konden geen wortel schieten omdat de akkoorden zo vervaarlijk gromden. Hoe mooi ook van toucher, cantabile frases bleven op zichzelf staan als de broze kopjes van verdwaalde klaprozen op braakliggend terrein, die ieder moment geknakt konden worden door het geselende noodweer.

Echt dramatisch werd het echter pas tijdens Pogorelich' onbegrijpelijke interpretatie van Chopins Sonate nr. 2 in bes, op. 35, een werk dat hij al vaker in het Concertgebouw speelde en heeft opgenomen voor Deutsche Grammophon. Over deze sonate beweerde Schumann dat Chopin vier van zijn eigenaardigste en meest verschillende kinderen aan elkaar had gebonden om er een sonate van te maken: ...`denn Musik ist das nicht. So schliest die Sonate, wie sie angefangen ist, rätselhaft, einer Sphinx gleich mit spöttichem Lächeln.'

Voor wie deze omschrijving van Chopins Tweede pianosonate letterlijk wenst op te vatten, was de bizarre interpretatie van Pogorelich zo gek nog niet. Want wat hij deed was zeker raadselachtig, en langzamere gedeelten werden door hem zó absurd tot over de uiterste grenzen van het Lento getild, dat het fysiek bijna onverdraaglijk werd om naar Pogorelich te luisteren.

Duurt Chopins Sonate nr. 2 in bes doorgaans zo'n twintig minuten, in de visie van Pogorelich bleek een half uur nog te kort. Door overmatige fortissimi en een volslagen gebrek aan muzikale samenhang in de spannigsopbouw, was er sprake van een ernstige contactstoornis tussen uitvoerder en het uitgevoerde, en al helemaal tussen uitvoerder en publiek. Wat voorheen vaak is opgevat als Pogorelich' `geniale eigenzinnigheid', kreeg nu het droevig stemmende aangezicht van waanzinnige verwardheid. Aan zijn quasi-diepzinnige interpretaties was doorgaans geen touw meer vast te knopen, zo verwrongen klonken zijn betogen.

Pogorelich' interpretatie van Chopins Sonate nr. 3 in b, op. 58 vormde wel het absolute dieptepunt. De onverdraaglijk langzaam gespeelde `unendliche melodie' van het Largo bezweek aan volledige stagnatie. De essentie van muziek is beweging, en als de beweging verzandt en de noten hun richting verliezen sterft de muziek. Het treurigste van alles was dat Pogorelich op sommige momenten toch nog ongeëvenaarde hoogten bereikte, zoals in het briljant vertolkte Presto uit de Tweede sonate, en deels ook tijdens zijn meer coherente aanpak van de Drie mazurka's op. 59. In lyrische passages was zijn klank af en toe van een magische schoonheid, die echter steeds weer de gedaante aannam van een fata morgana.

Concert: Ivo Pogorelich (piano). Programma: Chopin: Polonaise nr. 4 in c, op. 40 nr.2; Polonaise in fis, op. 44; Sonate nr. 2 in bes, op. 35; Drie Mazurka's, op. 59; Sonate nr. 3 in b, op. 58. Gehoord: 14/3 Concertgebouw Amsterdam.