Kunst voor filosofen en virtuozen

Drie artikelen over schilderkunst maar liefst in de nieuwe Gids en het aardige is dat ze gezamenlijk mooi laten zien hoe verschillend er over beeldende kunst geschreven wordt. Aan de ene kant van het spectrum staan de auteurs die kunst vooral beschouwen als aanleiding tot filosoferen; ze zijn niet geneigd datgene wat ze zien voor waar aan te nemen, kennen hun Derrida en houden, als ze al over schilderkunst schrijven, vooral van abstractie – te beginnen bij Monet of Cézanne en daarna Malevitsj, Mondriaan en Barnett Newman. Daar tegenover staan de auteurs die kunst vooral als verheven amusement beschouwen. Zij verwachten vooral technische virtuositeit van de schilder, hopen dat de kunstenaar hen een onverwachte blik op de werkelijkheid biedt en dwepen met kunstenaars als Francis Bacon, Lucian Freud en Edward Hopper.

De nieuwste Gids heeft `Mooi' als thema en om de een of andere reden verwacht je daarbij vooral beschouwingen van het laatste soort. Dat blijkt tegen te vallen. Lyrische verhandelingen staan er niet veel in deze Gids, het zijn vooral beschouwende stukken. Zo schrijft Hans Onno van den Berg over de relatie tussen de muziek van componisten als Berg, Schönberg en Stockhausen en de politiek, bekijkt Kees Vuyk de `waarde van kunst', en analyseert de nieuwe hoogleraar popmuziek René Boomkens de `esthetica van popmuziek'. Dat doet hij overigens op een toon alsof hij zijn nieuwe functie parodieert, met zinnen als: ,,Ook de popmuziek zelf is er niet totaal in geslaagd zich te bevrijden van de modernistische drang tot sacralisering van het profane.''

In dit gezelschap past ook het essay over schilderkunst van Frank Reijnders, dat gaat over de verhouding tussen fotografie en schilderkunst. Reijnders is een typisch filosofische kunstbeschouwer, die zich gemakkelijk verliest in gegoochel met illusoire werkelijkheden. Dit keer weet hij zich aardig in te houden, wat vooral komt doordat hij een paar interessante kunstenaars als voornaamste onderwerp heeft gekozen: Gerhard Richter, Jeff Wall en Cindy Sherman.

Richter is een schilder, Wall en Sherman zijn fotografen, maar alle drie zoeken ze naar het grensgebied tussen de twee disciplines. Richter doet dat door hardnekkig te proberen foto's te schilderen, inclusief onscherpte en vertekening; Wall en Sherman door de werkelijkheid die ze fotograferen nadrukkelijk te ensceneren. Reijnders heeft ook genoeg behartenswaardigs te melden (,,Het nieuwe schilderij is een kleurenfoto al dan niet achter glas.'') Het is alleen is jammer dat hij af en toe schrijft als een bord spaghetti.

Daar heeft Huub Beurskens in zijn artikel over David Hockney geen last van, maar zijn stuk lijdt weer aan een andere kwaal: een doorzeurende verongelijktheid. Beurskens, een typische aanhanger van de `virtuozen', begint zijn stuk met de vaststelling dat als je over Hockney schrijft ,,je min of meer gedwongen bent dit vanuit de verdediging te doen.'' Dit komt volgens hem doordat veel mensen het werk van Hockney als nichterige edelkitsch beschouwen en niet door hebben hoe intelligent zijn doeken zijn opgebouwd. Daar heeft hij groot gelijk in, maar zijn verongelijkte toon irriteert op den duur. Bovendien weigert hij zich veel rekenschap te geven van zoiets als de tijdgeest: terwijl de kunst werd gedomineerd door arte povera en minimalisme, bleef Hockney hardnekkig zonovergoten zwembaden in Californië schilderen.

Gelukkig had Beurskens de wijsheid om naast zijn eigen stuk ook een vertaling op te nemen van een van de essays die Hockney zelf midden jaren tachtig over Picasso schreef. Daarbij laat Hockney meteen zien hoe je over schilderkunst schrijft: zorgvuldig, met een afgewogen argumentatie en gevoel voor relativering legt Hockney uit hoe belangrijk Picassos kubisme voor de schilderkunst is geweest. En passant toont hij hiermee aan dat hij inderdaad niet de oppervlakkige flierefluiter is waarvoor hij vaak wordt gehouden. Sterker nog: hij toont pijnlijk aan dat schilders soms veel beter kunnen schrijven dan schrijvers.

De Gids, nr 3/4, maart/april 1999. Prijs ƒ34,90.