Gevangen door het kapitaal

Soms stond Ronaldo even stil, zoals Braziliaanse dansers na een samba. Opgewonden en nog in trance van het ritme. Dan genoot hij na van de droom die hij had beleefd. Hoe hij met de bal aan de voet op vijandelijke spelers was afgestormd, hen met onnavolgbare bewegingen omzeilde en in de finale van zijn dans de bal in het doel had geschoten. Dan kon hij nog minutenlang in hogere sferen leven, alsof niets hem nog terug op aarde kon brengen. Terug in de realiteit waar kwade geesten leven die zijn vlees en bloed willen verkwanselen.

Soms liet hij zijn hoofd hangen. Dan slofte hij over het veld, terneergeslagen omdat een tegenstander hem beentje had gelicht en misschien wel had geprobeerd hem voor altijd het voetballen onmogelijk te maken. Ronaldo verweet het verdedigers nooit dat zij hem onschadelijk hadden willen maken. Schuchter keek hij wel eens naar de scheidsrechter, in de hoop dat deze hem uit zijn lijden zou verlossen. Hij vroeg niet eens om een gele kaart voor zijn beul, hij wilde alleen dat de scheidsrechter in zijn eenzame strijd zijn bondgenoot was.

Ronaldo dacht vaak terug aan de tijd toen voetballen nog leuk was. Vroeger, op straat, in de plassen en de modder, temidden van jongens die vriendjes van hem waren. Armoede kende hij en zijn familie, maar spelen met een bal maakte heel veel goed. Daarom wilde hij ook voetballer worden, zoals iedere jongen. Niets is mooier dan voetballer te zijn en vooral de beste van de wereld. Flamengo, Real Madrid, AC Milan of Manchester United, als je heel jong bent is niets mooier dan voor zo'n club te voetballen. Rijk worden, een mooi huis, een mooie auto, een mooie vriendin, maar vooral laten zien dat je de beste bent van allemaal. Zoals Pelé, Garrincha, Didi en Zico eens waren.

Misschien dacht Ronaldo steeds meer terug aan toen, aan de tijd dat zijn leven nog niet werd geleid door slechte mannen die zeiden het beste met hem voor te hebben. Vooral toen hij in de zomer van 1998 geen wereldkampioen met Brazilië was geworden, dacht hij terug. Wereldkampioen zijn was een droom die geen werkelijkheid mocht worden. Jaren had hij er naar uit gekeken en er voor getraind. Sterker wilde hij worden, zijn benen moesten sterk genoeg zijn om te blijven soleren en scoren. Pijn had het hem gedaan, in zijn spieren en gewrichten, en in zijn hoofd. Maar hij moest kampioen worden. Als hij het niet zelf wilde, dan wilden alle Brazilianen en liefhebbers van dansend voetbal het wel en vooral de mensen die handelswaar van hem hadden gemaakt.

Ronaldo werd geen wereldkampioen. Omdat hij kort voor de finale tegen Frankrijk onder de druk of wat dan ook bezweek. Hij speelde mee. Waarom begreep hij waarschijnijk niet. Zou hij hebben geweten waarom hij aan de hand van nestor Dunga het veld werd opgesleept, als een peuter aan een tuigje? Zou hij hebben gezien dat het hele Braziliaanse elftal niet meer begreep waarom hij toch nog meespeelde? Ronaldo was niet meer Ronaldo. Wie hem de dagen voor de finale versuft zag trainen, niet meer begrijpend waarom voetbal een bron van plezier is, wist het al. Nooit meer zou Ronaldo schitteren. Hij was vernield, kapotgemaakt door mensen die menen dat beursnoteringen heilig zijn en door mensen die hem vertelden dat je door goed en veel te voetballen heel rijk wordt.

Ronaldo is pas 23 jaar en heel rijk, maar vele illusies armer. Voetbal, weet hij nu, is niet meer voor de Ronaldo's. Voetbal is voor handelsgeesten die in hun oneindige valsheid het volk wijsmaken dat voetbal nog leuk is.