Fouten in moordproces rond Britse peuter

De Europese Commissie voor de Mensenrechten heeft vandaag bepaald dat de mensenrechten van de twee jeugdige moordenaars van de peuter James Bulger bij hun proces in 1993 geschonden zijn.

De jongens, John Venables en Robert Thomson, werden in november 1993 op tienjarige leeftijd veroordeeld tot een gevangenisstraf van onbepaalde tijd voor het martelen en doden van de peuter, die ze uit een winkelcentrum hadden meegelokt. Het tweetal werd berecht als volwassenen, met publiek, een jury en kruisverhoren. Dat is binnen het Britse recht bij kinderen vanaf tien jaar toegestaan, mits ze het verschil tussen goed en kwaad kennen. De rechter stelde hun minimumstraf vast op acht jaar. Minister van Binnenlandse Zaken John Howard verhoogde dat minimum na een handtekeningenactie van de ouders van James Bulger tot vijftien jaar. De jongens, zestien jaar inmiddels, staan in een extra beveiligde inrichting onder behandeling.

De raadslieden van het duo voeren aan dat de rechtsgang onmenselijk, vernederend en oneerlijk is geweest, omdat de jongens te jong waren om de procesgang te begrijpen. Ook tegen de strafverhoging door de minister tekenden ze protest aan. Op dat laatste punt is het vonnis overigens al aangepast. De Law Lords, het hoogste Britse rechtsorgaan, bepaalden in 1997 dat minister Howard zijn bevoegdheden had overtreden door met een beroep op de publieke opinie de straf te verhogen.

De Europese commissie voor de mensenrechten noemt de procedure tegen de jongens oneerlijk en schrijft dat de minister geen strafverhoging had mogen uitspreken, omdat hij geen ,,onafhankelijk en onpartijdig rechtsorgaan is''.

Na een uitspraak van de Europese commissie voor de mensenrechten wordt doorgaans een schikking getroffen. Lukt dat niet, dan wordt de zaak in behandeling genomen door het Europese hof voor de mensenrechten, dat nationale rechtspraak toetst aan de conventie voor de mensenrechten.