Eeuwige troost

Van sommige dingen die je hoort of leest, is het bijna meteen ondenkbaar dat ze er daarvoor niet waren, dat wil zeggen, dat ze er wel waren maar ongehoord, ongelezen. Wat bijna hetzelfde is als niet-bestaan. Het raadsel van een wereld zonder iets, of iemand, beschrijft Lars Gustafsson in zijn gedicht `De stilte van de wereld voor Bach'. Hij noemt titels van werken van Bach die nog nooit geklonken hadden – `overal onwetende instrumenten' – en hij beschrijft hoe stil het geweest moet zijn: ,,weidse zachtmoedige landschappen/ waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn/ het gezonde geluid van sterke honden in de winter (-) en nergens Bach, nergens Bach'.

Bach is wel een goed voorbeeld van onwegdenkbare kunst. Gustafsson schrijft over die stille wereld, in een paar van de mooiste regels die ik ken: ,,Eenzaam gelegen kerken/ waar de sopraanstem uit de Johannes Passion/ zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde/ rond de mildere windingen van de fluit.'' Gisteren besloot ik de Johannes Passion nog maar eens te beluisteren. De sopraanaria klonk helderder en verstaanbaarder dan ooit, en het was zoals Gustafsson had gezegd: `hulpeloze liefde'. Ich folge dich gleichfalls mit freudigen Schritten/ und lasse dich nicht.

Hoe moet het geweest zijn in de wereld waarin deze muziek niet bestond. Hoe is een wereld zonder kunst überhaupt denkbaar? Van de filosoof Samuel IJsseling verschenen onlangs bij uitgeverij Boom drie essays in een boekje met de titel Drie godinnen. Mnemosyne, Demeter, Moira. Daarin citeert hij een hymne van Pindarus uit de zesde eeuw voor Christus waarin de goden bijeenkomen nadat Zeus `alles geordend' had. In het begin van de nieuwe, Olympische orde mogen we aannemen. De goden zijn verbluft over de heerlijkheid die ze zien. Zeus vraagt hen of ze misschien nog iets missen. Jawel: ,,Hij heeft geen god gemaakt die in staat is de schoonheid van deze werken in woorden en muziek te bezingen en te prijzen.'' Daarop verenigt Zeus zich met Mnemosyne, `de herinnering, of beter nog het indachtig zijn en het gedenken' en daaruit komen de Muzen voort.

De Muzen zijn dus geboren omdat de goden inzagen dat men zonder kunst met stomheid geslagen is tegenover de schepping. Maar de Muzen zijn ook kinderen van de herinnering. En in een zogenaamde `Homerische hymne' (de auteur(s) ervan zijn onbekend maar de hymnen zijn ooit eens lukraak aan Homerus toegeschreven) staat beschreven dat de Muzen niet alleen lofprijzen maar ook `het ellendige en ongelukkige lot van de mensen' bezingen. ,,Ze bezingen al wat de onsterfelijke goden hun opleggen en hoe ze onwetend en machteloos door het leven gaan, niet in staat een middel te vinden tegen de dood of een afweer tegen de ouderdom.''

IJsseling, verschillende bronnen nagaand, stelt vast dat de Muzen van oudsher voor vergetelheid, dat wil zeggen voor troost, voor een andere, mooiere versie van de werkelijkheid zorgen en voor de herinnering, of het oproepen van werkelijkheid waar we niet bij waren. En waar waren we eigenlijk wel bij aanwezig, vraagt hij zich af. Ook als men zegt iets meegemaakt te hebben, wat heeft men dan eigenlijk meegemaakt? Een heel klein gedeelte van de werkelijkheid en zelfs die nog maar slordig gefilterd door onze onvolkomen zintuigen. De Muzen hebben, net als de andere goden, de ware kennis, voor hen heeft de wereld geen geheimen. ,,Wij echter horen alleen geruchten en weten maar weinig'', staat er in de Ilias.

Het is juist daarom, omdat wij het verleden alleen maar kennen uit gebrekkige herinneringen, wij het heden zeer onvolledig waarnemen en wij een nog veel beperkter idee van de toekomst hebben, dat verhalen zo'n grote rol in het leven van de mensen spelen. Daarom, zo schrijft IJsseling ,,leven wij altijd ook in een wereld van woorden''.

Zo maakt hij de kunst, in ieder geval de literatuur, nog veel onontkoombaarder dan de goden haar meteen al vonden. Zij is nodig omdat we anders pas echt machteloos en hulpeloos zouden staan tegenover verleden, heden en toekomst. En door de zang en dans van de Muzen vergeten wij onze ellende en zorgen, door ons te verheugen in de schoonheid van de wereld – en in de eer en ellende van anderen over wie verteld wordt. Want wat verstrooit meer dan andermans narigheid, mits goed verteld.

Spreekt IJsseling in zijn essay over Mnemosyne nog over ons gebrekkige vermogen het heden mee te maken, elders in zijn boekje, waar het gaat over Moira, het lot, en Tyche, het geluk in de zin van `geluk hebben', schrijft hij onomwonden: ,,Leven in het heden is de mens niet vergund.'' Dat klinkt waar en verschrikkelijk.

Toch, wie bijvoorbeeld naar die sopraan uit de Johannes luistert, die kan moeilijk anders dan met haar meelopen `mit freudigen Schritten'. Die is niet in de toekomst, die is niet in het verleden (al valt daarover te twisten, aangezien deze muziek ook een verhaal vertelt dat zich wel degelijk in het verleden afspeelt, maar goed). Wie luistert, sowieso wie opgaat in kunst, die is ook in het nu, op een onberedeneerbare manier. Maar dat is misschien juist een vorm van meemaken van het heden die met echt `meemaken' weer weinig van doen heeft. Wie opgaat in het moment verdwijnt erin, die verliest zichzelf aan de poëzie, aan de muziek, die is er in zekere zin ook weer niet. Maar ook wel, en ook meer dan wanneer ook. Ingewikkeld.

Het zijn mooie en interessante essays die van IJsseling, door zijn royale filosofische belezenheid, maar ook door de mooie citaten uit de antieke literatuur. Zo schreef Hesiodus, tijdgenoot van Homerus al: ,,De Muzen hebben mij geleerd een lied te zingen dat mijn beperkte vermogen overstijgt.'' Dat is een belangrijke waarheid: het grote kunstwerk `weet' meer, omvat meer, is rijker en wijzer dan de maker.

Dat is misschien een van de redenen dat kunstwerken zo onwegdenkbaar zijn. Mensen ook, zolang ze er zijn. Maar wie eeuwen eerder leefde liet ons niet zijn persoonlijkheid na, maar zijn woorden, zijn muziek, zijn beelden of schilderijen, die ons dingen vertellen die ons troosten en ons helpen herinneren dat er een werkelijkheid is die wij niet kennen, nooit zullen kennen, die we zelfs nog gebrekkig meemaken als we er middenin staan, maar die we toch, op een geheimzinnige manier ervaren. Vooral in de kunst. Daarom doet grote kunst een stilte vermoeden die er was voordat die kunst er was, want ze vult altijd een leegte.

Jammer dat de Muzen dood zijn, als vertelsters van de onverhulde waarheid en de prachtig versierde leugen. Nu schijnen we het allemaal zelf te kunnen, in ieder geval is het niet meer mogelijk om aan haar te vragen wat de sopraanstem aan Jezus vraagt: ,,Und höre nicht auf/ Selbst an mir zu ziehen,/ zu schieben, zu bitten.'' Maar die stem, die fluit, met die `milde windingen', die bestaan gelukkig. In het heden.