Ze huilen altijd

Ten eerste zijn ze altijd ongesteld. Ten tweede gaan ze huilen bij gerechtvaardigde kritiek op hun werk. En ten derde veroorzaken ze onrust bij de mannen.'' Volgens de overlevering zijn dit de drie ijzeren redenen waarom de hoofdredactie van het Algemeen Handelsblad tot diep in de jaren zestig weigerde vrouwelijke journalisten in dienst te nemen. De vrouwvijandige argumentatie wordt toegeschreven aan de laatste hoofdredacteur van het Handelsblad, H.J.A. Hofland, maar ook wel aan diens voorganger, mr. C.A. Steketee.

In 1967 ontving een jonge aspirant-journaliste deze brief namens de hoofdredactie:

,,Geachte mejuffrouw Heyting,

In antwoord op Uw sollicitatiebrief van 30 juni jongstleden moeten wij U tot onze spijt mededelen, dat wij op onze redactie geen plaats hebben voor een leerling-journaliste. De redactie van het Algemeen Handelsblad bestaat namelijk uitsluitend uit mannelijke journalisten, daar de hoofdredactie bezwaar heeft tegen vrouwelijke medewerksters.

Hoogachtend, Algemeen Handelsblad NV, mevrouw L. Roos-Bolten, secretaresse.''

Voor mijn geestesoog zie ik deze `vrouwelijke medewerkster' (sic) het dictaat van hoofdredacteur Steketee of diens adjunct Hofland op haar oude Remington uittikken, ongesteld, huilend, de heren van de hoofdredactie kwijlend over haar schouders hangend.

De brief heeft tot voor kort als relikwie in de gang van het Amsterdamse redactiekantoor van deze krant gehangen, naast de kamer van Lien Heyting, in de tijd dat zij chef van de kunstredactie was. Zij kwam zeven jaar na de afwijzingsbrief, in 1974 dus, in dienst van NRC Handelsblad. Tot hier heeft de Heer ons vrouwen geholpen: wij mogen redacteur zijn en zelfs minister. Maar die ongesteldheden, dat huilen bij gerechtvaardigde kritiek op ons werk en die split in de rok: een Lien Heyting en een Hanja Maij-Weggen moeten altijd geweten hebben dat zij wegens dergelijke onhebbelijkheden werden aangekeken of (wat de split betreft) bekeken.

Tot aan de fusie tussen de twee dagbladen waar deze krant uit is ontstaan, gold het in Amsterdam verschijnende Handelsblad als een tikje progressiever, wat minder stijf en vormelijk dan de Nieuwe Rotterdamsche Courant, maar uit feministisch oogpunt is dat conservatieve imago van de oude NRC onterecht. In Rotterdam trad al veertig jaar voor Lien Heyting de mannelijke ballotage passeerde, een vrouwelijke redacteur aan. Dat was Mia de Jong-de Monchy, geboren in 1909.

Vrijwel wekelijks vereerde mevrouw De Jong mij met een uitvoerige brief, meestal om me de oren te wassen over opvattingen die zij in haar eigen liberale krant misplaatst achtte, want ze was ,,liberaal sinds Thorbecke''.

,,Geachte collega'', schreef zij dan bijvoorbeeld, ,,Wat is dat nou? Bent u tegen het huwelijk? Je hoeft dat instituut, dat zo oud is als de weg naar Rome, niet te verheerlijken om er toch voor te zijn. Het geeft toch een zekere, belangrijke stabiliteit aan de samenleving, ondanks het feit van vele echtscheidingen. In de tijd dat dit minder `done' was, waren natuurlijk ook niet alle huwelijken gelukkig. Mijn eigen grootouders, van keurige komaf, waren al gescheiden in 1908. Ik herinner me de tijd dat `we' in opstand kwamen tegen Romme, die alle gehuwde ambtenaressen ontsloeg. Dat was nog eens antivrouw. Maar dat is de enige keer dat ik in opstand moest komen.''

Van feminisme moest zij dus weinig hebben. ,,Maar'', voegde ze daar steevast met terechte trots aan toe, ,,ik heb toch wel iets te vertellen. In 1932 kwam ik als eerste vrouw, en de jongste, bij de NRC. Heb daar bijna vijf jaar full time en dan echt `full' (dag- en nachtdienst, twee edities) gezeten. En ik heb nooit enige tegenstand ervaren bij mijn collega's.''

Maandag (toevallig Internationale Vrouwendag) hoorde ik dat mevrouw De Jong-de Monchy op negentigjarige leeftijd is overleden. Toegetreden tot de persgeschiedenis, waarin haar ondanks haar relatieve onbekendheid een bijzondere plaats toekomt als een van de vrouwelijke journalistieke pioniers. De honderden brieven die zij schreef, horen thuis in het persmuseum.

Als journaliste in hart en nieren bleef ze gericht op de actualiteit waar ze, puttend uit haar geheugen, commentaar op leverde. ,,Vasalis was een jaargenote van mij'', schreef ze me bij de dood van de dichteres, ,,zo'n meisje van wie het meteen in Leiden gonsde: wie zal Kiki krijgen?'' Ook prinses Juliana hoorde tot haar Leidse jaarclub, die tot voor kort eens per jaar op Soestdijk bijeenkwam. ,,Juliana is altijd wel vaag geweest, maar het is nu veel erger'', meldde ze me nog voordat de RVD melding maakte van verwardheid van de prinses. ,,Natuurljk heb ik haar altijd gewaardeerd, maar Beatrix is meer geknipt voor het vak dan Juliana die van nature wat `gauche' is.''

Mevrouw De Jong-de Monchy was een verrukkelijke correspondentievriendin, hoe streng ze me soms ook toesprak. Geen kwaad woord over Bolkestein wilde ze horen. D66 daarentegen haatte ze hartstochtelijk, maar dan toch weer met uitzondering van ,,de keurige mevrouw Borst''. Voor vrouwelijke ministers had ze respect.

Jammer genoeg kan ik haar niet over Hanja Maij-Weggen citeren. Ik vermoed dat mevrouw De Jong het niet gepast zou hebben gevonden dat een oud-minister publiekelijk emotie toont. Ook op dat punt zou, denk ik, ons generatieverschil manifest zijn geweest. In mijn ogen heeft Hanja Maij bij haar verhoor door de parlementaire enquêtecommissie Bijlmerramp een betrokkenheid en menselijkheid laten zien waar heel het dorre mannelijke bureaucratendom bij in het niet zinkt.

Jaar in jaar uit is de CDA-politica als tweevoudige duivelin afgeschilderd: als meisje Maij, onschuldig en verleidelijk, en als uit een brok ijs gebeeldhouwde kostschooldirectrice, kil en koud – en dat tegelijkertijd. Haar tranen hebben al het ijs doen smelten. Er bestaat een lullig liedje op de tekst `Maar een man mag niet huilen'. Beter dan welk feministisch traktaat ook vertolkt deze smartlap de leugenachtigheid die elke totalitaire newspeak kenmerkt, de volledige omdraaiing van de werkelijkheid waarin vrouwen alles mogen behalve, nog altijd, ongesteld zijn, huilen of ... vrouw zijn.