Wij waren de hartslag van de tijd

John Caljouw: ,,Het is allemaal begonnen in het Ambonezenkamp bij Middelburg. Daar woonden Rudy en Tonny de Queljoe met hun moeder en een heleboel broertjes en zusjes. Rudy en ik waren bevriend, ik kwam daar graag. Een schitterende gemeenschap: ze waren anders, ze waren exotisch, ik hield van die sfeer, de gastvrijheid... In dat kamp: een gat in de vloer was het toilet... ze hadden niks... begrijp je? Behalve muziek.

Rudy's vader was zeeman. Hij bracht platen mee uit Amerika. Van B.B. King, van the Ventures... en Rudy was erg muzikaal, het was een zeer talentvolle jongen... hij kon op een eenvoudig gitaartje al verschrikkelijk goed spelen.

Ik speelde ook gitaar, niet zo goed als Rudy, maar toch. Tonny speelde basgitaar. Drummer Huib Pouwer kende ik uit het rock'n'roll-bandje Johnny and the Bluejeans. Uiteindelijk kwamen we terecht in Group 69 van een zekere Karlos van den Berg.

Het was rond 1962. De rock'n'roll was een beetje uitgewoed en toen begonnen wij. Karlos woonde in Vlissingen en daar werd gerepeteerd. In Vlissingen had je kroegen, dancings, hoertjes... niet dat benauwde van Middelburg! De eigenaar van nachtclub `La Cave' hield op zondagmiddag beat-evenementen. Hij haalde van alles binnen: Haagse bands, Engelse bands. La Cave was niet meer dan een pijpenla maar het was grandioos! Wij traden daar ook op. We groeiden uit tot de beste band van Zeeland.

Toen we besloten beroeps te worden verliet Karlos de band. Hij was getrouwd, maar wij... wij wilden loskomen! Op dat moment komt Hans Verhagen in La Cave. Zijn vader was notaris in Vlissingen. Hans woonde in Amsterdam en was het middelpunt van een groep kunstenaars en schrijvers... Voor Rudy en Tonny was Verhagen iemand uit een vreemde wereld. We werden min of meer door Hans geadopteerd en gevormd naar zijn ideeën.

De kunstenaar Bert Kieten werd erbij betrokken. Het idee kwam op om ons als levend kunstwerk neer te zetten. Die beschilderde gezichten, dat werd ons imago. Die schilderingen zouden consequent bij ieder optreden worden gedaan. De naam van de band werd door Hans omgedoopt in `Dragonfly'.

Hans was een goeroe. Hij had een heleboel volgelingen, mensen die hem adoreerden. Zijn invloed op Huib en mij was groot. Wanneer Hans zei: `Met die vrouw moet je breken, dat is niks voor jou', dan deed ik dat. Dat is echt gebeurd, hoor!

Het eerste Amsterdamse optreden was in Felix Meritis. Eerst trad een jazzbandje op en daarna wij. En we verpletterden die jazz-scene! Daar waren we op uit, dat was muziek voor ouwe lullen... Wat wij deden, dat was de hartslag van de tijd! Nou, dat vonden ze daar in Amsterdam ook, want we werden in de armen gesloten door mensen als Ramses Shaffy, Simon Vinkenoog...

Via de contacten die Hans bij Philips had, kwam het eerste singletje uit: Celestial Dreams. Een vreemde, nieuwe stijl: hallucinerend, etherisch, de geur van wierook en Perzische tapijten. En natuurlijk van hasjiesj. Het was de beschrijving van een tripervaring. 1967 was voor mij het jaar waarin alles bij elkaar kwam... het hoogtepunt van de popmuziek, Flower Power, geestverruiming...

We traden op in een nooit uitgezonden aflevering van het televisieprogramma `Hoepla'. De aanbiedingen stroomden binnen. We kwamen in contact met Daan Padmos, die ook Rob Hoeke's R&B Group onder contract had. Hij begon direct met het neerzetten van betere apparatuur die paste bij een band van allure!

In 1968 maakte Johan van der Keuken de film `De Tijd Geest'. Huib en ik werden gefilmd terwijl onze gezichten en lijven beschilderd worden door Kieten. De band kwam tot een creatief hoogtepunt, we hoefden van te voren niet meer af te spreken wat we zouden doen op het podium – we begonnen gewoon...

Het kwam niet in ons hoofd op om te vragen hoe het financieel zat... Rudy liet zich uitbetalen in nieuwe gitaren of nog betere versterkers. Hans Verhagen kon zich met de band volledig uitleven, maar in zijn kielzog kwamen ook veel geflipte figuren mee.

Het waren uiteindelijk Rudy en Tonny die Hans niet meer zagen zitten. Ik moest het woord voeren toen we het hem gingen vertellen... Die confrontatie tussen aan de ene kant de dichter, het intellect, en aan de andere kant de popgroep, de muzikale emotie, de jeugd... Ik heb hem de deur gewezen, de man die ik zo bewonderde.

Hij reageerde verbijsterd en furieus... wie dachten we wel dat we waren om hem, Hans Verhagen...! Het was het domste wat ik ooit gedaan heb.

Het succes werd er niet minder door. Het tweede singletje werd in Londen opgenomen. We vlogen met een gecharterd vliegtuig terug. Met Pink Floyd traden we op in het Vlissingse concertgebouw. Ik heb later mensen gesproken voor wie dat optreden een van de hoogtepunten uit hun leven is geweest! We werden gevraagd voor een popfestival in Rome...

Maar ineens was het over. De apparatuur die ons door Daan Padmos ter beschikking was gesteld, bleek nooit betaald. Alles werd in beslag genomen. Rudy, die gold als een van de beste gitaristen van Nederland, ging naar Brainbox. Huib verzonk in apathie. Tonny is overleden.

Ik werd onderwijzer, maar hield het niet vol. Het was te intensief geweest. Ik moest weg, weg! In Spanje vond ik wat ik zocht... de sfeer... net als bij die Molukse familie. Het heeft me twintig jaar gekost om mezelf terug te vinden. Nadat ik kort in de hemel was geweest zou ik ook weten hoe de hel er uitzag.

Ik geef nu gitaarlessen. Mijn `Gretsch'-gitaar heb ik nog steeds; dat is mijn houvast.

Niet zo lang geleden heb ik die film van Johan van der Keuken teruggezien: een schokkende ervaring. Hij heeft het beeld een keer achterstevoren gemonteerd. Een ouwe truc, maar toch... Uiteindelijk komt onder die beschildering een jongen tevoorschijn. Ik wist niet wat ik zag... die gave jongeling, zo puur, zo ongeschonden... Ongelofelijk – dat was ik!''