Weg met de beleggingsclubs!

Ruim duizend beleggingsclubs zijn aangesloten bij de NCVB, de Nederlandse Centrale Vereniging van Beleggingsstudieclubs. Iedere club telt zo'n tien tot vijftien leden en heeft volgens de NCVB tot doel `door middel van zelfstudie, discussie en hulp van bankmensen kennis te verkrijgen van de mechanismen die op en rond de beurs een rol spelen. Daarbij speelt gezelligheid een grote rol.' En: `Kennis als middel van risicobeheersing bij het beleggen. Niet alleen kennis van beleggingsinstrumenten, maar ook van bedrijven, branches, landen en economische wetmatigheden. Pure hobby? Vaak wel, maar het is bekend dat veel leden het bij de club geleerde ook bij het beheer van hun privé-kapitaal gebruiken. En hun kapitaal is niet onaanzienlijk.'

Deze doelstellingen stammen uit de jaren zestig, zijn volledig achterhaald door de sterk gestegen welvaart en het enorme aanbod aan overbodige financiële producten, en zetten verwarde financiële analfabeten die steun zoeken bij een clubje op het verkeerde been. Bovendien staat bij haast alle clubs de studie op een laag pitje, omdat het saai is, en jagen de leden vooral kortetermijnsuccessen na, want dat is spannend.

Begin jaren zestig discussieerden de organisaties van werknemers en werkgevers over de vermogensaanwasdeling, een middel om werknemers via aandelen te laten delen in de naoorlogse welvaart om zo de volgens de vakcentrales voortdurende vermogensongelijkheid te verminderen. De werkgevers achtten (in hun rapport: Wegen naar bezitsvorming) die ongelijkheid onvoldoende bewezen, maar hadden wel sympathie voor een gelijkmatiger spreiding van het vermogensbezit. Zij waarschuwden toen al dat dit kon leiden tot een ongezonde belangstelling voor inside information bij aandelen bezittende personeelsleden. En merkten op dat werknemers misschien liever een eigen huis wilden dan effecten.

In die jaren was de tijd rijp voor het oprichten van studieclubs voor volksbeleggers, want die wisten immers niks van de beurs. Daarom schreef mevrouw Lettinga-Vegter, redacteur van de Financiële Koerier, eind jaren zestig het boek Beurs en Effecten, dat vele jaren daarna gold als een standaardwerk. Zij benadrukte het clublidmaatschap van vrouwen. `Het kan van groot belang zijn, in de eerste plaats voor de vrouw zelf, maar ook voor haar gezin, als de vrouw enigszins op de hoogte komt van zaken die het beheer en beleggen van geld aangaan. Haar vaak ontstellende onwetendheid kan bijvoorbeeld na het overlijden van haar echtgenoot levensgrote problemen oproepen.'

Het nadeel van de studieclubs is dat ze vermogensopbouw en -beheer en risico's beperken tot aandelen en opties, terwijl er vergeleken bij dertig jaar geleden interessantere beleggingsinstrumenten bestaan. Ze beleggen niet doelgericht voor de (middel)lange termijn, maar speculeren en gokken om bij hun volgende vergadering een succesje te kunnen tonen.

Helaas trekken leden die oogkleppenlijn nogal eens door naar hun privé-beleggingen. Ze schieten van het ene fonds naar het andere, op zoek naar een hoger rendement dan de buren, familie, vrienden en collega's en begrijpen helemaal niets van de belangrijke verschillen en overeenkomsten tussen beleggingen als koopsompolissen, beleggingshypotheken, beleggingsverzekeringen, huizen, een eigen bedrijf, leaseplannen, click-fondsen, pensioenregelingen, levensverzekeringen, lijfrenten en spaarregelingen. Dat is koren op de molen van beurzen, banken en commissionairs: actieve beleggers zorgen immers voor omzet, provisie en handelswinst. Vandaar dat clubs kunnen rekenen op warme steun van financiële instellingen. Niet vanwege de op zich geringe beleggingen van de club, maar om de privé-zaken van de leden.

Steun zoekende financiële consumenten vinden meer troost en verlichting in een saaie vermogensclub of gespreksgroep om te praten over familiale geldzaken en dito risico's in ruime zin, dan in een bruisende beleggingsclub vol gokkers waarin een onervaren nieuweling vaak een blok aan het been is. Maar die clubs bestaan nog niet.

Clubleden verweren zich tegen het gokkersverwijt met de opmerking dat ze het leuk vinden om samen iedere dag op verschillende manieren de beurs te volgen en dat toch zelf moeten weten. Daar is geen speld tussen te krijgen – het is natuurlijk veel leuker dan de voetbalcompetitie – maar ze vergeten dat ze niet handelen als doelgerichte beleggers, maar als op Junkplein 5 dolende junks die voortdurend op zoek zijn naar verse tips, geruchten, roddel en leugens, om in de weer te blijven. Vandaar: Weg met de beleggingsstudieclubs, leve de vermogensclubs!