Violist in dienst van de mensheid

Lord Yehudi Menuhin, die gisteren op 82-jarige leeftijd in Berlijn aan een hartaanval overleed, was een van de grootste violisten, misschien zelfs wel de allergrootste musicus van deze eeuw. ,,Om grote muziek te kunnen spelen of genieten moet je je ogen gericht houden op een verre ster'', zo luidde zijn spirituele motto. Menuhin keek verder dan alle andere musici.

Voor hem was de muziek letterlijk een taal uit de hemel, een taal van vrede, verzoening en hoop op een betere wereld. Behalve een legendarisch violist, pedagoog en dirigent, was Menuhin zijn leven lang ook een onvermoeibare humanist, idealist en wereldverbeteraar. Bezieling was zijn handelsmerk.

Zijn viooltoon verraadde, vanaf het moment dat hij als zevenjarig wonderkind de wereld verbijsterde met de angelieke diepzinnigheid van zijn uitvoeringen, eeuwenoude wijsheid en een door hart en ziel snijdende emotionele intensiteit. Die getuigde van een natuurlijk contact met de hogere sferen. La Romanesca zette hij als 11-jarig jongetje met zóveel weemoed en doorleefdheid op de plaat, dat het simpele wijsje veranderde in het oerlied van de chassidische joden, zigeuners en profeten.

Nadat Einstein Menuhin in 1929 in Berlijn op één avond de vioolconcerten van Bach, Beethoven en Brahms had horen spelen, verklaarde de fysicus: ,,Nu weet ik zeker dat er een god bestaat.'' En toen Menuhin in datzelfde jaar voor het eerst in het Amsterdamse Concertgebouw optrad, verklaarde dirigent Willem Mengelberg: ,,Yehudi Menuhin heeft onder mijn leiding te New York gespeeld in december 1928. Hij behoort m.i. tot de grootste vioolphenomenen van onzen tijd.'' Adolf Busch, Fritz Busch, Bruno Walter, Fritz Kreisler, allemaal waren ze het er over eens: Menuhin was een muzikaal wonder, aangeraakt door de goddellijke vonk van de muziek.

Onvergetelijke Menuhin-opnamen als het Vioolconcert van Elgar uit 1932 onder leiding van de componist, Bachs Sonates en Partita's voor vioolsolo uit 1953 en van Bachs Dubbelconcert met zijn belangrijkste leraar Enesco behoren nu nog tot het indrukwekkendste dat ooit is opgenomen.

Menuhin was voor de viool geboren. Toen hij als jongetje van vier na lang bidden en smeken zijn eerste plastic viooltje kreeg, stampte hij het woedend en gefrustreerd in elkaar. Dat was geen échte viool! Zijn vanuit Rusland via Palestina naar Amerika geëmigreerde ouders (zijn moeder had tatarenbloed, zijn vader stamde uit een oud chassidisch geslacht) begrepen dat het menens was. Ze brachten hem op zijn vijfde naar Louis Persinger, de concertmeester van het San Francisco Orchestra.

,,Ik moet altijd denken aan wat Persinger opschreef in mijn partituur van Beethovens Vioolconcert'', vertelde Menuhin in 1991 tijdens een interview in Amsterdam: ,,Toen ik dat concert als klein jongetje bij hem studeerde, noteerde hij aan het eind van de cadens: Worship. Dat heeft mijn leven bepaald.'' De toen 75-jarige maestro zag er breekbaar en frêle uit, maar hij zei: ,,Ik ben oud geboren, maar van binnen word ik steeds jonger.'' In zijn hotelkamer stonden zilveren dienbladen met half verorberde ananassen. Menuhin was vegetariër en een gedreven yogabeoefenaar.

Als geen ander geloofde Menuhin in `Heilkraft' en hij verdiepte zich onbekommerd in alle denkbare religies, van hindoeïsme en boeddhisme tot het jodendom. Ook muzikaal bestonden er voor hem nauwelijks barrières. Menuhin improviseerde met sitarspeler Ravi Shankar en jazzviolist Stéphane Grappelli. Hij verdiepte zich in de zigeurnermuziek. Hij was innig bevriend met uiteenlopende musici als Mengelberg, Glenn Gould en zijn meest tegendraadse leerling Nigel Kennedy. Hij schreef boeken over de (levens)kunst van het vioolspel zoals het met foto's van de maestro in kopstand en in andere yoga-posities gelardeerde Life Class (1986) en The Violin (1996), een prachtig geïllustreerd werk over de geschiedenis van de viool, vioolbouwers en violisten.

Menuhin was een humanist in hart en nieren. Te pas en te onpas probeerde hij in zweverige termen, die uit zijn mond altijd geloofwaardig klonken, de mensheid te redden van nodeloze haat, agressie en intolerantie. In de oorlog trad Menuhin op aan het front, na de oorlog was hij een van de eerste musici die zich weer in Duitsland waagden: ,,Hitler was een gek, maar niet alle Duitsers waren slecht.'' In Israel kwam hij op voor de Palestijnen, in Duitsland bracht hij een muzikale ode bij het vallen van de Berlijnse muur. De talloze malen gehuldigde Menuhin predikte het behoud van de natuur, was goodwill-ambassador voor de UNESCO, en maakte zich sterk voor talloze stichtingen, zoals Live Music Now ter ondersteuning van jong talent in de muziek en de Helen Dowling Stichting ter bestrijding van kanker. Van zijn muziekschool in Engeland probeerde hij een leerzame oase voor getalenteerde strijkers en pianisten te maken. Menuhin nam in 1993 zelfs samen met Bernard Haitink zitting in een comité van aanbeveling tot behoud van het Gelders Orkest, zijns inziens ,,een fabelachtig orkest, dat in de Randstad altijd al ondergewaardeerd is geweest''.

In Nederland heeft Menuhin, vooral in de eerste decennia na de oorlog, veel en graag opgetreden. Hij gaf er recitals met zijn zusje Hepzibah en trad zeer regelmatig op als solist met de hoofdstedelijke orkesten. Hij was dol op de Hollandse straatorgels, en toerde er rond met het Dubbelconcert van Bach met Emmy Verhey. Ook toen Menuhins spel door problemen met zijn strijkarm wisselvalliger werd, bleef hij de lieveling van het Nederlandse publiek.

De laatste jaren kwam hij vooral naar Nederland als dirigent. Nog in 1997 dirigeerde hij in het Amsterdamse Concertgebouw het door hemzelf in Polen opgerichte Sinfonia Varsovia, waarbij de onnavolgbare blijmoedigheid en kosmische intensiteit van zijn interpretatie van Beethovens Pastorale een onvergetelijke indruk achterlieten. In Menuhins visie op Beethovens natuurimpressies klonk een wereld die hij via de muziek voor iedereen bereikbaar wilde maken, een wereld zonder oorlog, vervuiling en overbevolking, een `aards paradijs'.