VERSTORING VAN RUST BEPERKT HERSTEL VAN ZEEHONDENPOPULATIE

Na de epidemie aan het einde van de jaren tachtig heeft de Nederlandse populatie gewone zeehonden in de Waddenzee voortvarend het herstel ingezet. Maar de groei komt uit zeer beperkte bron. Slechts op een klein aantal plaatsen in het hele Waddengebied slagen de dieren erin zich in ruime aantallen voort te planten. Dat blijkt uit het onlangs bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek verschenen proefschrift van biologe Edith Ries, die promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen op de populatiebiologie van gewone zeehonden en hun activiteitspatronen (IBN Scientific Contributions 16).

In 1988 kostte een virusepidemie ongeveer zestig procent van de gewone zeehonden (Phoca vitulina) in de Waddenzee het leven. In 1994 was het aantal waargenomen dieren alweer gestegen tot bijna negenduizend, een verdubbeling ten opzichte van 1989. Toch bedraagt de huidige omgang nog maar een kwart van de naar schatting 37.000 zeehonden die aan het begin van deze eeuw rondzwommen, een eeuw waarin achtereenvolgens jacht, vervuiling en verstoring hun tol eisten. De huidige aantallen en dichtheid van de zeehonden worden bepaald door de verschillen in kwaliteit van het leefgebied. Ries wijst met name de verstoringsdruk aan als factor. In de Waddenzee kunnen zeehonden alleen tijdens laagwater rustig op het droge liggen. Zeehonden grijpen bijna elke laagwaterperiode aangrijpen om aan de kant te komen. Vooral vrouwtjes en hun zogende jongen zijn merkbaar van die rust afhankelijk.

In de Waddenzee zijn 38 deelgebieden met hun zeehondenpopulaties te onderscheiden, maar er is een levendige toestroom en uitstroom van dieren. In sommige gebieden was er sinds de epidemie een hoger toename in aantallen dan op grond van de plaatselijke geboortencijfers kon worden verklaard. Ook het omgekeerde kwam voor: een toename die achterbleef bij de verwachting. In Nederland is de aanwas via getelde plaatselijke geboorten te laag om de groei in aantallen te verklaren: er is dus toestroom uit andere landen.

Bij vergelijking tussen de 38 verschillende wantij-gebieden met droogvallende zandplaten blijkt dat 65 procent van de toestroom elders afkomstig is uit slechts zeven van die deelgebieden. Van die belangrijkste plaatsen voor de voortplanting van de gewone zeehond telt Denemarken er een, zijn er twee in Niedersachsen en drie in Sleeswijk-Holstein, en ook de Nederlandse Waddenzee is vertegenwoordigd: met het Eems-Dollard-estuarium. Voor sommige van die gebieden is inmiddels een duidelijk verband aangetoond tussen de kwaliteit als broedgebied en de intensiteit van menselijk gebruik. Zo worden de zeehond-ligplaatsen in het Eems-Dollard-estuarium met het hoogste aandeel jongen gekenmerkt door een beschutte ligging, een lange droogvaltijd maar ook relatief weinig verstoring.

Ries benadrukt dat de zeehondenpopulatie ondanks het veelbelovende herstel kwetsbaar en gevoelig blijft.

(Frans van der Helm)