TALENT 3

Opvallend door relatieve afwezigheid in Hendrik Spierings weergave van onderzoek naar talent door drie Britse psychologen (`Talent bestaat niet', W&O, 20 februari) is mijns inziens het woord `belangstelling'. Het begrip talent zou met behulp van nadere aandacht voor het aspect belangstelling niet als niet-bestaand hoeven te worden gedefinieerd maar juist nader bepaald en ontleed kunnen worden.

Zou het benoemen van belangstelling voor een bepaald gebied van bijvoorbeeld kunst of wetenschap, sport, politiek of zelfs het dagelijkse sociale leven, gepaard aan een oefening in het belangstellingsgebied die tot opvallende prestaties leidt, niet een begin van een definitie omtrent talent kunnen zijn?

Het hebben van een, al dan niet ver(der) ontwikkelde belangstelling, is onderdeel van dat wat men het karakter van een mens noemt, en zou ook in die bredere zin bekeken kunnen worden. In `kleinere' zin zou de belangstelling, die kan leiden tot bijzondere prestaties, bekeken kunnen worden op de ontstaans- en de ontwikkelende factoren. Op aspecten van `nature' and `nurture' zoals de psychologie die benoemt: genetische en sociaal relevante factoren.

Een gedachte waarmee wat dit betreft nu al, naar aanleiding van het artikel, gespeeld kan worden, betreft het nurture-aspect: de aanmoediging van de omgeving door middel van bijvoorbeeld beloning die `de natuurlijke afkeer van die grote inzet [vereist voor het bereiken van de uitzonderlijke prestaties] vermindert' zoals Robert Eisenberg het in W&O uitdrukte. Waar de mens – ondanks zijn belangstelling! – de grote inzet van `nature' lijkt af te wijzen, werd die afwijzing in die gevallen waar van talent wordt gesproken, teniet gedaan door de omgeving, door middel van motivatie en beloning.

Dat zich in de opvatting van talent een ontwikkeling voordoet naar neutralisatie – wat voorheen talent werd genoemd is nu vaak gemeengoed te noemen – doet geen afbreuk aan het bestaan van talent volgens een definitie waarin naast prestatie, oefening en motivatie ook belangstelling een rol heeft. De neutralisatie zegt enerzijds iets over ontwikkeling in hetgeen de maatschappij als bijzonder beschouwt; over de belangstelling van de maatschappij. Anderzijds duidt de neutralisatie dan op een nulpunt waarin het al bereikte geconsolideerd is of wordt. Dit kan een natuurlijke adempauze zijn die niets zegt over het - intern - voorbestaan van de belangstelling voor het `talentgebied' en voor het verder ontwikkelen daarvan. Een nieuwe interne of externe motivatie kan in een dergelijke `impasse' een nieuwe plus veroorzaken.

Wellicht kan zelfs het onderzoek dat talent `afwijst' zo'n plus van nieuw talent – van nieuwe uitzonderlijk geopenbaarde en positief ontvangen belangstelling – leiden.