Rare rietmat

Op één dag vond archeoloog Graafstal in de bouwput voor Leidsche Rijn een Romeinse weg èn een Romeins schip. Een droom voor een archeoloog, een nachtmerrie voor de bouwers.

BIJ DE MEERN, ter voorbereiding van de Vinex-locatie Leidsche Rijn, hebben archeologen in 1997 de restanten van een Romeinse weg gevonden. Die liep hier over de zuidelijke kant van de zogenoemde Heldammer stroomrug, een afzetting van een inmiddels dichtgeslibde zijtak van de Oude Rijn. De weg blijkt een goede kandidaat voor de verbinding langs het Nederlandse deel van de limes, het Romeinse systeem van grensverdediging, in het rivierengebied.

De Romeinse weg kwam te voorschijn in een vergevorderd stadium van bouwplanrealisering. Is de voorafgaande archeologische veldverkenning dan onvoldoende geweest? ``Nee', zegt de gemeentelijke project-archeolooog drs. E.P. Graafstal, die het onderzoek leidt. ``Die weg heeft zich diep in de grond verscholen gehouden en is met sediment afgedekt door de rivier die er langs stroomde. Normaal gesproken verraadt een vindplaats zich door aangeploegd materiaal, aardewerkscherven, botfragmenten enzovoort. Maar zo'n weg laat in feite nauwelijks ruis achter. Daar komt nog bij dat dat het plaveisel door overstroming op veel plaatsen is verspoeld. Als je twee jaar geleden archeologen had gevraagd waar ze verwachtten dat de limesweg, die er toch móest zijn, zou liggen, had niemand deze plek aangewezen, bijna naast de stroomrug.''

Eerder al waren bij het aansnijden van de restgeul houtconstructies gevonden en geïnterpreteerd als onderdeel van een oeverbeschoeiing. Graafstal: ``Toen we in een gat eiken palen zagen, dachten we: hé, daar heb je de beschoeiing weer. Maar al schavend aan profielen ontdekten we steeds meer dingen die niet met dat beeld te rijmen waren. Een rare rietmat. Kistwerk met planken aan de binnenkant. Grind. Op dat moment wist ik het: dit is een weg.''

Diezelfde dag, niet ver van de plaats waar de weg was gevonden, schampte een machine bij het graven van een pompgat de boord van een Romeins schip. Graafstal: ``Een weg en een schip. Een droom voor een archeoloog, en een nachtmerrie voor de bouwers natuurlijk.'' Met die boodschap stapte hij naar de projectleider van het bouwplan. Er werd sportief op gereageerd. `Voor jou de droom, voor ons de nachtmerrie', heette het.

Specialisten van Archeologisch Adviesbureau RAAP brachten de weg toen snel in kaart. Bijna tweeëneenhalve kilometer van het ongeveer vijf meter brede tracé werd teruggevonden, voor Nederland een record. Daarna, in 1998, kwam bij het graven van een waterpartij nog een serie eikenhouten brugpijlers tevoorschijn. Graafstal is met het onderzoek nu zover gevorderd dat hij een aantal conclusies kan trekken.

Na de inlijving van Brittannia in 43 maakte keizer Claudius (41-54 na Chr.) een begin met de consolidatie van de Romeinse rijksgrenzen. Hij liet de limes bouwen, het bekende lint van legioensvestingen (castra) met tussenliggende forten (castella) en onderlinge verbindingswegen; in Noordwest-Europa op de linkeroever van de Rijn. Omstreeks 47 na Chr. werd de limes in Midden-Nederland ingericht. De meest logische verwachting is dan dat de weg bij De Meern ook uit het midden van de eerste eeuw stamt. Graafstal: ``Maar als je kijkt naar de dendrochronologische dateringen van het gebruikte hout, kom je nergens veel vroeger uit dan eind eerste eeuw. De oudste formele datering staat nu op 93 na Chr. en het gaat dan om palen van een steiger. Die steiger werd enkele jaren later omgebouwd tot een loskade met laadplatform. Dit suggereert dat er rond die tijd al aan de weg werd gewerkt. Ook hebben we wat scherven die er op zouden kunnen wijzen dat hier in de tweede helft van de eerste eeuw iets aan de hand was. Ik denk dat kort na het midden van de eerste eeuw een begin met de aanleg werd gemaakt.''

BEKISTING

De Romeinen kozen een tracé op zodanige afstand van de rivier dat ze weinig problemen verwachtten. Naderhand kwam op sommige plaatsen een rivierbocht tegen de weg aan te staan en daar werden toen oeverbeschoeiingen noodzakelijk. Ook hielden de Romeinen rekening met de ondergrond. Op de hogere delen van de stroomrug bestond de weg uit een grondlichaam met daarop een grindbaan en bermsloten erlangs. Maar op secties met een slappere bodem maakten ze een bekisting: rijen eiken palen met planken aan de binnenkant. Dit kistwerk moest grondlichaam en grindplaveisel op hun plek houden. Door deze ingrepen kreeg de weg in het landschap het karakter van een zomerdijk. Het gebied zuidelijk daarvan werd beter bewoonbaar en tegen het einde van de eerste eeuw ontstonden hier ook inheemse nederzettingen. In de bloeiperiode van Romeins Nederland, van 70 tot 200, werd de weg regelmatig onderhouden. Naast kleinere herstelwerkzaamheden zijn twee grote opknapcampagnes aanwijsbaar, in 100 en in 125. De loskade diende daarbij als overslagplaats.

Graafstal: ``Al gauw bleek dat de Romeinse wegenbouwers zich hadden verkeken op het natuurlijke regime. De rivier rukte in de bochten steeds verder naar de weg op en toen is de ellende begonnen met onderspoeling en afkalving. Bij overstromingen in het najaar werd telkens plaveisel weggeslagen. Een eindeloze geschiedenis van reparaties volgde, daar hebben we veel bewijzen van teruggevonden: zwaardere beschoeiingen, steviger kistwerk langs de weg. Het probleem was dat men het normale, jaarlijkse patroon van uittredend water door de aanleg had verstoord.''

Bij het onderzoek rond de brugpijlers is gebleken welke oplossingen de Romeinse ingenieurs daarvoor zochten. Zij kregen in de gaten dat het water zich hier verzamelde en dat de afvoer stagneerde. Bij een van de twee grote reparatiecampagnes heeft men de dijk weer geopend en hier een brug neergezet op stevige palen. De brug maakte het mogelijk dat het water bij overstromingen naar het achterliggende veengebied wegliep, waardoor de druk op de wegconstructie verminderde. Deze maatregel leidde tot nieuwe problemen. De doorstromingen ondermijnden de landhoofden van de brug, wat de Romeinen trachtten op te lossen door stroombrekers te plaatsen en de landhoofden met zware planken en vlechtwerk te verstevigen. Toen het riviersysteem wat ging luwen, werd opnieuw een dijk geplaatst. Dit gebeurde rond 200.

De Romeinen getroostten zich aanzienlijke moeite om de weg aan te leggen en in stand te houden. Daarbij deden zich niet geringe bevoorradingsproblemen voor. Neem het grindplaveisel. Een laag van vijf centimeter voor een vier meter brede rijbaan betekende dat per strekkende kilometer zo'n tweehonderd kubieke meter grind moest worden aangevoerd, ettelijke tientallen scheepsladingen. Of het benodigde hout. Voor de oudste fase van de weg gebruikte men nog lokale zachte houtsoorten. Het in de omgeving aanwezige bestand aan eikenhout was toen al verdwenen in de bouw van de limes-forten. Voor de twee grote reparatiecampagnes moest het hout uit Duitsland komen. Daar werd het gekapt, en hier gekloofd, gezaagd en aangepunt. Waarschijnlijk gebeurde dit in een stationgewijze organisatie.

Graafstal: ``Een aanwijzing daarvoor is dat we maar op één plek houtsnippers van kapwerk zijn tegengekomen, bij de loskade. Een andere is de aanwezigheid van telmerken op de palen. Dat suggereert het afwerken van bestellingen voor secties van de weg. Het voorbewerkte eikenhout werd naar de secties getransporteerd en daar met een hei-installatie de grond in gewerkt. Wat ons rest van de Romeinse tijd is in termen van steenbouw niet veel, maar kijk je naar de geïnvesteerde arbeid, dan loopt ook door Nederland een soort Muur van Hadrianus. Maar er is nog iets. De omvangrijke organisatie duidt op een centrale militaire hand. Dat zou weleens de hoogste hand kunnen zijn geweest: die van de keizer persoonlijk."

Bij de grote reparatiecampagnes van 100 en 125 werd eikenhout gebruikt dat in de winter daarvoor was gekapt. Dat is op drie plaatsen langs de Nederlandse limes vastgesteld: eerder in Valkenburg (Z-H), Woerden en nu ook in De Meern. De campagnes vallen in de regeringsperiode van respectievelijk Trajanus (98-117) en Hadrianus (117-138). Graafstal: ``Beide keizers zijn twee jaar vóór de reparatiecampagne in deze streken geweest. Trajanus was in 98 in Keulen, toen hij tot keizer werd uitgeroepen. Blijkens een mijlpaal gevonden in Beek bij Nijmegen werd er in 98 gewerkt aan het wegenstelsel in het Nederlandse deel van de grenssector. Twee jaar daarna startte de eerste van de twee grote reparatiecampagnes. Hetzelfde deed zich 25 jaar later voor. In 122 kwam Hadrianus voorbij. Hij had zich in Boven-Germanië met de grensverdediging beziggehouden. Twee, drie jaar later komt die campagne op gang. Die herhaling, dat kan geen toeval zijn.''

romeinse mijlpalen

Blijft over de kwestie van het einde van de weg. Rond het jaar 200 wordt er nog aan gewerkt, zo is gebleken bij de brug in het tracé in de buurt van De Meern. Graafstal: ``We kunnen bewijzen dat snel na 200 de weg op minstens twee punten beslissend is geërodeerd, zo niet verzwolgen door de rivier. De loskade werd weggeslagen. Uit Romeinse mijlpalen die bij Den Haag zijn ontdekt, blijkt dat men in de derde eeuw nog met wegenonderhoud bezig was. Op een van die mijlpalen staat de naam Decius, keizer van 249 tot 251. Je moet dan toch aannemen dat ook bij De Meern nog onderhoud werd gepleegd. Maar sporen daarvan ontbreken hier.

``Uiteindelijk zou je uit ons onderzoek kunnen afleiden dat de Romeinen de handdoek in de ring hebben gegooid. Het is daarmee ook het bekende verhaal van het Nederlandse gevecht tegen het water. Hier heb je een vroeg voorbeeld van dat hele probleem. De Nederlandse condities schreven de wetten voor aan een wereldrijk. Ook Romeinse ingenieurswensen moesten wijken voor wat in ons landschap mogelijk is.''