Pikorde

Op straat ligt de helft van een in de lengte doorgesneden stokbrood. Het ligt op de platte snijkant en wordt omringd door een groep kwetterende mussen die ieder voor zich twee elkaar uitsluitende verlangens proberen te verwezenlijken: het verlangen te eten en het verlangen om dat zonder de andere mussen te doen.

De grootste mus heeft het zo druk met het wegjagen van de andere vogels, dat hij zelf niet aan eten toekomt. Zodra hij een deel van het brood vogelvrij gemaakt heeft, pikken zijn soortgenoten aan een ander deel van de harde korst en moet hij dáár weer optreden.

De vraag hoe het komt dat hij tóch zo groot geworden is, blijft onopgelost tot ik mij realiseer dat al zijn soortgenoten water in de wijn hebben gedaan en genoegen nemen met slechts een deel van het brood, terwijl hij zichzelf als enige eigenaar van het héle stuk blijft beschouwen. Was het brood kleiner geweest, dan had hij zijn rivalen wel op afstand kunnen houden. Nu blijft hij heen en weer rennen, terwijl de uitvreters hun buik vullen.

Er komt een duif aanstappen. En nog één. De eerste jaagt de tweede weg, maar laat de mussen ongemoeid. Heeft hij niet in de gaten dat die net zo goed broodroof plegen? De duif pikt hard. Hij schudt daarbij zijn kop, waardoor het brood kantelt en op de ronde korstzijde rolt. Nu kunnen alle vogels bij het zachte binnenste van het brood. Zowel mussen als duiven vergeten even hun broodnijd en beginnen driftig van de witte vezels te eten. Door het pikken van de duif kantelt het stuk opnieuw. Nu is het zachte deel weer onbereikbaar en de duif draait het niet terug. Weet hij veel! Hij neemt de wereld zoals die is: soms korst, soms witbrood. Wel buigt hij zich voorover, draait zijn nek zo, dat zijn kop plat op straat ligt en schuift zijn snavel onder de korst, want hij weet wel waar het gebleven is.

Een uur later zijn de duiven met een paar mussen nog steeds aan het pikken; de duiven bij toerbeurt. De korst is even glad uitgebeiteld als een indianenkano.