Onze eeuw kent geen grote sporthelden

Topsporters van historische allure bestaan niet in ons land, vindt Hugo Camps. Dit komt doordat te weinig glorie over de polder is heengegaan om de taal van legenden en relikwieën te doorgronden. Nederland heeft slechts kampioenen voor één seizoen. Daarna moeten ze het zelf uitzoeken.

Heldenlevens verzuren, zoals de benen. Ze halen de houdbaarheidsdatum van een eeuw niet. En dus is de vraag of Johan Cruijff dan wel Puskas nou voetballer van de eeuw is, even absurd als de gedachte dat de oude Drees – vader van de skeletdemocratie – in het Torentje kabinetsberaad zou gehouden hebben met de furie van het plebisciet, Erica Terpstra. Heldenlevens raken elkaar niet – de wet van de continuïteit geldt hooguit voor de zeldzame momenten van alledaagsheid.

Zoeken naar de sporter van de eeuw is vragen naar de legende van de eeuw. Ook onbegonnen werk. Legenden verdringen elkaar. En toch, niet de prestatie, de mythevorming van de prestatie schraagt de herinnering. Wat zou er van Fausto Coppi overgebleven zijn zonder de Witte Dame? Een fiets en een graf. Rinus Michels overleeft in een zin als: ,,Voetbal is oorlog'', niet als meesterbrein van een systeem. Waarom zal, zolang de herinnering strekt, Willem van Hanegem populairder zijn dan Johan Neeskens? Omdat de Kromme buiten het veld bestaat uit shag en pils en daardoor perfect binnen de verbeelding van het rijtjeshuis blijft. De mythe van de kleine man. In de talloze requiems voor Joe DiMaggio werd dieper gebogen voor zijn kortstondig huwelijk met Marilyn Monroe en de Anklang van Hemingway dan voor zijn 361 homeruns. President Clinton roemde zijn vaderlandsliefde als toonbeeld van gratie en beleefdheid. Heeft niets met sport te maken.

Begin dit jaar stelde de Amerikaanse sportzender ESPN een all-time-list samen: de honderd grootste sporters van de eeuw. Joe DiMaggio eindigde op de 13de plaats. Als de lijst was samengesteld de dag na zijn verscheiden dan was de charismatische honkballer waarschijnlijk de ijshockeyer Wayne Gretzky(1), Jesse Owens(2) en Mohammed Ali (3) voorgegaan. De dood verhevigt de legende. Terloops, de winnaar van de Tour de France, Greg LeMond is niet opgenomen in de top honderd: sport valt uiteen in regionale categorieën; deze niche is niet gevat door het sprookje van de globalisering.

Legendevorming en natievorming liggen in elkaars verlengde. Topsporters lenigen de nood aan samenhang. Ze verenigen de multiple identiteiten van burgers en buitenlui in een gemeenschappelijke roes. Ze herschikken grenzen: vandaag is Ajax de natie, alvast op woensdagavond en op zondag. Morgen Feyenoord. In het kielzog van de voetballer en de wielrenner ontstaat zelfs een nieuwe taal. Sport parochialiseert, alle pretenties van de Europese Champions League ten spijt.

De identificatiezucht is tijds–, persoons– en cultuurgebonden. Ze is onderhevig aan theatrale humeurigheden. Elke sport kent zijn stijlbreuken. De winnaar van de eerste Elfstedentocht in het begin van de eeuw was een dominee. Die schaatste, praatte en glorieerde anders dan de spruitjesboer Angenent. Motivatie en voorbereiding, stijl en (medische) begeleiding, eer en gevoel van de twee krachtpatsers zijn niet vergelijkbaar. Zelfs het ijs was anders. Op een enkele chronogek na zal je niemand horen zeggen dat Evert van Benthem een grotere schaatskampioen is geweest dan theoloog Minne Hoekstra. De een reed voor God, de ander voor de televisie – tegengestelder kunnen levens niet zijn, maar zo'n culturele waterscheiding wordt niet gekoppeld aan de prestatie zelf.

In 1910 werd de Ronde van Frankrijk voor het eerst verrijkt met de Pyreneeën, in die dagen vrijwel onbegaanbaar. De Franse coureur Trousselier beet Tourorganisator Desgrange toe: ,,U bent een misdadiger.'' Waarop Desgrange repliceerde met een Van Agtiaans zinnetje: ,,Het lijden, Trousselier, betekent de volledige ontplooiing van de wilskracht.''

Leed als epicentrum van sportroem, het zou een criterium kunnen zijn, maar ook weer niet. Nagenoeg alle topsporters doorstaan bij momenten wat niet te doorstaan is. Jean Robic reed de Tour uit met een steenpuist tussen scrotum en anus. Zoveel zadelpijn heeft de vijfvoudige Tourwinnaar Merckx nooit gekend. In afzien was Robic groter dan Merckx.

Allicht heeft Johan Cruijff meer rococo in enkels en wreef dan Marco van Basten. Speelser, genialer. Maar Cruijff heeft nooit de hakbijl van het catenaccio moeten trotseren, Van Basten wel. Marco heeft duizend keer meer geïncasseerd dan Johan. Toch bleef ook deze stilist scoren, tot zijn enkel helemaal stuk was. Zou Cruijff evenvel rek in de pijngrens hebben gehad? Als subliem offer is de carrière van Van Basten indrukwekkender dan die van de Verlosser. En aangezien topsport een oefening in sterven is, zou Van Basten op de hitlijst van de eeuw minstens even hoog moeten staan als Cruijff. Het onderstreept alweer de onmogelijkheid om een definitieve canon van oude en nieuwe helden vol te zingen. Rang en stand zijn in de minst gedemocratiseerde uithoek van de samenleving de wereld uit.

Christopher Lasch stelt in The Culture of Narcissism, dat fame hoe langer hoe meer plaats maakt voor celebrity. De omslag vind je ook terug in de sport. Er ligt een merkwaardige tijdsdruk over de contemporaine vedetten, alsof iemand hun heeft ingefluisterd dat ze nog maar weinig tijd van leven hebben. De De Boertjes zien we, buiten hun wedstrijden, nog een paar keer per week op de televisie. Is het niet in een reclamespot dan wel bij Barend & Van Dorp. Ze zijn in de huiskamers zo vertrouwd als de vuurtongen op de vensterbank. Weg mythe dus. Hun heldenlevens zijn beëindigd. De mooiste kanonskogels in de kruising helpen niet meer.

Gullit heeft zichzelf ook doodgekletst. Aan elke dreadlock hing een trosje mensenrechten, dat was te veel van het goede. Al gauw bleek dat de Zwarte Tulp niet consequent was in zijn radicaal gemoed en dat hij vooral leegliep uit andermans wonden. Het vereenzamingsproces begon reeds bij Milan: zelfs Italiaanse voetballers hebben een hekel aan koketterie en image-building. Ze spreken niet voor niets een eigen taal. Neo-intellectuelen lusten ze al helemaal rauw. Mandela is een aristocraat van een andere wereld, zij houden het op Claudia Schiffer.

De ene natie is meer geest, de andere meer lichaam. Nederland is een vadsig land in het koesteren van heldenlevens. Er is zowel te weinig rampspoed als te weinig glorie over de polder heengegaan om de taal van legenden en relikwieën te doorgronden. In een doorleefde natie zou Fanny Blankers–Koen nooit zijn uitgedoofd tot het Juliana–type: vrouwtje met boodschappentas, en verder niets. The winner takes nothing, zeker geen liefde. Als eens de polonaise uitgestorven is en de tenten voor het bal populaire dichtgeklapt zijn, is het geluk van de natie op. Dan moeten Abe Lenstra, Joop Zoetemelk en Ellen van Langen het zelf maar uitzoeken. Of ze worden, zoals Anton Geesink, achtervolgd door rancune en chagrijn. Liturgische bevlogenheid is hier nooit een repetitio van het repetitio. ,,Laat maar!'' We hebben er ook de redenaars niet voor.

Misschien valt de cultuur van de verering buiten het tijdsbeeld. Vroeger was sport de verabsolutering van de sociaal-democratie. Wie niks was, kon via Feyenoord, Papendal of TVM zich alsnog op de hoogte hijsen van welstand en respect. Sport als passe-partout naar de materie en als emancipatiefactor voor dorpspatriotten. Geen formateur die er aan dacht de lichtzinnigheid van een paragraaf sportbeleid in het regeerakkoord op te nemen. De doorstroming kwam er vanzelf. Nu gooien ze kinderen van negen jaar de duurste Nike's naar het hoofd. Het feest van de spectaculaire zelfverheffing is dan al over. Alles is zo gedemocratiseerd dat talenten reeds in de ouverture worden gepolijst, begeleid en versuikerd. Carrières beginnen nu met achterstallig onderhoud, vroeger eindigden ze daarmee. De armen hebben gelijk: zonder de druk van een maatschappelijke Wiedergutmachung is het moeilijk legende te worden.

Zo'n Cassius Marcellus Clay, de kleinzoon van een slaaf, was van ideale komaf om zijn eigen godheid te creëren. Niet gehinderd door een esthetische ervaring had hij meteen zijn eigen stijl te pakken. De sport der proleten legde door zijn inbreng de defensieve gewaden af en werd een wild en zinnelijk offensief. In een semi-religieus en sentimenteel land als de Verenigde Staten is het volkomen normaal dat sportsterren uitgroeien tot helden. Maar Mohammed Ali spotte met die predestinatie. De danspasjes van Ali hadden de bokssport veranderd, nu was de maatschappij aan de beurt. De wereldkampioen bond de strijd aan met het establishment. Hij werd dienstweigeraar, veroordeelde de oorlog in Vietnam en werd geschorst. Het ideaal van de bokser bleek taaier te zijn dan de verdenking van megalomanie en opportunistische grootspraak. Een bokser met een geweten viel al buiten de verbeelding van de maffia, een bokser met een missie was in de jaren waarin zwarte Amerikanen nog werden nagewezen met het politiek incorrecte `Africans Americans' staatsgevaarlijk.

Ali ging de weg van hem alleen, strijdend, brallend, bulderend. Een knieval om zijn bokslicentie terug te krijgen kon er niet af. Toen hij weer in de ring mocht, was de zwaargewicht nog steeds een ballerino. Hij danste zijn tegenstanders gek. Met hem werden de ruigste gevechten een cascade van gratie. Zijn voeten ritualiseerden de handen. Nooit vertoond. Terecht mocht Ali roepen `dat hij de beste was'. Toch is zijn legende niet ontstaan op het hoogtepunt van zijn sportieve prestaties. Zijn legende is geboren in het vacuüm, toen hij niet meer mocht boksen, de Islam had geannexeerd en naast Martin Luther King zowat de enige betrouwbare buikspreker bleek te zijn van de zwarte onderkant. Mohammed Ali creëerde zijn eigen helderheid, meer in het hoofd dan in de ring. Hij belichaamde een soort uittreding: de superkampioen die reeds lang boven de politiek en de maatschappij was getranscendeerd, keerde terug naar het stadium van de droom en werd politiek activist.

Hem nu zien lopen, verstild en verstrompeld, zou vanuit de herinnering aan zijn voetenspel de geur van ontluistering moeten oproepen. Dat doet het niet. Parkinson raast vergeefs om het momument. We weten nu dat hij al die jaren niet zichzelf, maar een geest in de ring heeft gestuurd. De mystificatie par excellence. Misschien is Mohammed Ali wel de sporter van de eeuw, al blijft het een willekeurige keuze. Hij zit wel het mooist gebeiteld in de legende. Niet omdat hij zo groots en onnavolgbaar was in de hitte van de strijd, in de mist van het verval en in het gemekker om liefde, en uit dat alles te voorschijn is gekomen als een heer van stand. Maar omdat hij in staat is gebleken klappen te incasseren, namens zichzelf en namens zijn volk.

Het poldermodel is de dood in de pot van de legendevorming. Sporthelden met millenniaire pretenties hebben oorlog nodig, onderdrukking, armoede, onrecht, weemoed en wanhoop, de goot. Dat heeft Nederland niet in de aanbieding. En daarom hebben wij kampioenen voor een seizoen, een enkele keer voor een jaar of vier, nooit van een eeuw.

Hugo Camps is redacteur van Elsevier en columnist van NRC Handelsblad.