Column

Narcolepsie

Ik zag een reportage over een ziekte waarbij mensen zomaar in slaap vallen. Dus niet in bed, maar in de klas of op kantoor. Het heet narcolepsie en schijnt niet handig te zijn. Klasgenoten beschimpen je en collega's schelden je uit voor `ambtenaar'. Een dokter noemde het een nare ziekte, een patiënte ging er bijna aan onderdoor en voor de familie is het eigenlijk het ergst. Volgens de familie dan. Gelukkig is er een Narcolepsiepatiëntenvereniging en ik moet onmiddellijk denken aan de jaarvergadering van deze club. De voorzitter houdt een welkomstwoord en ziet dat de helft van zijn gehoor al binnen drie minuten zit te snurken. Mochten ze nog een vergaderruimte zoeken, dan is Doornroosje in Nijmegen misschien een idee. Ik ben van plan me aan te melden. Niet dat ik die ziekte heb, maar ik heb wel alle verschijnselen. Ik val namelijk ook overal in slaap. Vooral in theaters, bioscopen en concertzalen heb ik er een handje van. Mijn vrouw schaamt zich vaak dood en waarschuwt me al op voorhand: `Niet gaan tukken hoor.' Steevast beloof ik het niet te zullen doen, maar na een minuut of tien begint het. De gedachten gaan op reis, de wimpers worden zwaar, de kin gaat naar de borst en daarna strijd ik een kort schijngevecht dat ik telkens met veel plezier verlies.

Nou heb ik nog een nadeel: ik snurk als een os. Thuis in bed is dat al geen pretje, maar in een volle schouwburg is dat niet aardig tegenover de spelers. Mijn vrouw geeft mij steevast een por en meestal ontwaak ik dan met een verschrikt: `Ja, ja, ja, ja...' Dat laatste is voor de dienstdoende kunstenaars meestal nog erger. Ik zal geen namen van gezelschappen en collega's noemen bij wie ik een redelijk hazentukje heb gedaan, maar ze mogen van mij aannemen dat ze er op twee na allemaal bij horen.

Ik heb het altijd gehad. Ik ben onderweg in de trein van Amsterdam naar Den Bosch ontwaakt in Weert als de trein alweer op de terugweg richting Den Bosch was. Dus hij had Maastricht al gezien. Niks van gemerkt. Ooit werd ik 's nachts om half vijf wakker in een lege donkere treincoupé op het rangeerterrein in Amsterdam-Oost. Officieel moet de conducteur voor hij naar huis gaat nog een keer de lege trein controleren, maar deze had daar duidelijk geen zin in gehad. Vroeger heb ik een tijdje echt gewerkt. Bij een uitgeverij van vakbladen. Ik werkte er een dag of wat en mijn aardige chef Tom nodigde mij bij hem thuis in Haarlem uit op een feestje. Ik kende er niemand, bladerde door wat boeken bij de cadeautafel, ging even zitten lezen en viel onmiddellijk in slaap. Eerst zat ik nog, maar al gauw ging ik liggen. Iedereen heeft op de meest harde muziek vrolijk om mij heen gedanst en vroeg aan Tom: `Wie is dat?' Een nieuwe jongen van kantoor, van wie hij verder ook niks wist. Zijn vrouw maakte me wakker toen alle gasten al vertrokken waren. Ze boden me aan te blijven slapen.

Het bontst heb ik het een jaar of zes terug gemaakt in Brunei. Ik zou voor de Nederlandse gemeenschap optreden en werd door een alleraardigste mevrouw van de Nederlandse Vereniging van het vliegveld gehaald. We waren met mijn voltallige bedrijf, ofwel negen mensen, onderweg. Ze kwam in het busje tegenover mij zitten en stak van wal. Ik kreeg te horen hoe groot Brunei was, hoeveel inwoners er waren, waar ze van leefden, wat de godsdienst was en hoeveel Nederlanders er woonden. Ik begon haar eerst heel zwoel aan te kijken, toen kwam het lood in de oogleden, ik dacht aan de avond ervoor en voor ze het wist was ik vertrokken. Het hele busje kende mijn slaapziekte en had het al lachend zien aankomen. Zij hebben het gezwatel van de dame anderhalf uur moeten aanhoren en waren na afloop allemaal stinkend jaloers. De mevrouw was door mijn gedrag ronduit gekwetst. En ik had er niks van gemerkt. Kortom, heb je die ziekte: niks aan doen. Het is de lekkerste ziekte die er is.