Ministers schuiven schuld door

De enquêtecommissie Bijlmerramp heeft gisteren een reeks van bijna honderd openbare verhoren beëindigd. Verantwoordelijke politici hadden vooral hun best gedaan en heel weinig bereikt.

De Staatsdrukkerij en Uitgeverij (SDU) had eigenlijk gisteren al willen beginnen met het drukken van de omslag voor het eindrapport van de parlementaire enquête over de Bijlmerramp. De commissie kon het echter niet eens worden over een titel. De SDU moet dus maar even wachten.

Enquêtevoorzitter Th. Meijer toonde zich echter gisteren na het laatste openbare verhoor in de vergaderzaal van de Eerste Kamer optimistisch dat de streefdatum van 31 maart wordt gehaald. ,,De kwaliteit van het rapport staat voorop'', voegde hij er voorzichtig aan toe. Mocht het om die reden nodig zijn, dan zal enig uitstel worden gevraagd.

De week van de politici, zoals de commissie de afgelopen week vooraf had gedoopt, leverde een interessant schouwspel op van mensen die de verantwoordelijkheid voor de vele dingen die misliepen in het `Bijlmerdrama' zoveel mogelijk doorschoven naar anderen.

Ook premier Kok leverde daarvan een staaltje. ,,Ik pleit mezelf niet vrij'', zei hij weliswaar, maar vervolgens legde hij omstandig uit dat hij natuurlijk afhankelijk was geweest van de initiatieven van andere ministers. En die hadden hem nooit verzocht om plenair overleg over de kwestie. Dat gold trouwens ook voor fractieleiders en Kamerleden, voegde hij er onmiddellijk aan toe.

Zijn voorganger Lubbers was hem met een dergelijke uiteenzetting al voorgegaan. Lubbers liet overigens niet na de commissie nog even te wijzen op het feit dat het grootste deel van de problemen dateerde uit de periode dat hijzelf niet meer aan het roer stond.

De Kamerleden hadden tijdens hun verhoren juist met de beschuldigende vinger naar de ministers gewezen. Vooral de PvdA–fractiespecialist Van Gijzel en GroenLinks–fractieleider Rosenmöller onderscheidden zich in dit opzicht. Ze waren bij herhaling ,,onvolledig en onjuist'' geïnformeerd inzake het Bijlmer-dossier, stelden ze woensdag. Ze wezen daarbij onder andere op de vrachtdocumenten, die oud-minister van Verkeer en Waterstaat A. Jorritsma hen in 1996 had toegezonden zonder enige toelichting. ,,Abacadabra'', vond Rosenmöller. Tijdens haar verhoor kaatste Jorritsma die bal terug. Het bevreemdde haar, zo zei ze, dat Rosenmöller haar niet eerder om opheldering had gevraagd, als hij de zaak niet had begrepen. Ze was hem graag van dienst geweest.

E. van Thijn, die burgemeester van Amsterdam was ten tijde van de ramp, stelde dat er op regeringsniveau meer verantwoordelijkheid had moeten worden genomen bij de nasleep van de ramp. Daar wist Lubbers wel raad mee. Was Van Thijn immers zelf een jaar later niet minister van Binnenlandse Zaken geworden. Dat was toch een ideale gelegenheid geweest om die zaak nog eens aan te zwengelen. Lubbers had toen echter niets van Van Thijn gehoord, zei hij.

Zo werd geleidelijk aan een beeld versterkt, dat ook de afgelopen weken tijdens verhoren al was ontstaan: van overheidsinstellingen die niet zelf initiatieven en verantwoordelijkheden namen op het moment dat die nodig waren. Formeel werden die wellicht niet altijd van hen verwacht, maar doordat iedereen op iedereen wachtte, gebeurde er uiteindelijk vaak niets.

Uit de verhoren van vijf Kamerleden bleek dat ook zij jaren lang niet goed raad hebben geweten met het dossier. Alleen het Kamerlid W. Keur (VVD) was zeker van zijn zaak: ,,Ik vond de informatie correct en volledig''. Voor alle zekerheid had hij de winter van 1994/1995 gebruikt om een aantal zaken zelf te onderzoeken. ,,Er gingen zoveel verhalen'', aldus Keur, maar ook hij had bij het bladeren in de vrachtbrieven wel gedacht ,,wat staat daar nou op?''.

De verklaringen van zijn collega's Van Gijzel (PvdA), Van `t Riet (D66) en Rosenmöller (GroenLinks) bevestigden de vooraf verkondigde stelling van de commissie dat men wel vaak had gereageerd op berichten uit de samenleving en weinig eigen initiatief had getoond. Zelfs `Bijlmerboy' Van Gijzel was niet verder gekomen dan een bezoek aan de vooronderzoekers in Hoofddorp en het stellen van veel vragen. Maar, ere wie ere toekomt, die aanhoudende stroom vragen van Van Gijzel, versterkt door publicaties in de media, hebben uiteindelijk geleid tot het instellen van een enquête.

Een geval apart voor de commissie vormde deze week oud-minister van Verkeer en Waterstaat H. Maij–Weggen, bij wie zich alle spanning na een uur ontlaadde in een huilbui. Meer dan wie ook ging Maij echter voor haar ambtenaren staan. Erg moeilijk maakte de commissie het haar overigens met haar vraagstelling niet. Dat gold voor de meeste prominenten, met uitzondering van Jorritsma, die als meest betrokken minister het vuur aan de schenen kreeg gelegd.

Oud-premier Lubbers kon zelfs een glorieuze rentree maken in de vergaderzaal van de Eerste Kamer. De commissie leek aan zijn lippen gekluisterd en viel hem zelden in de rede. Dit vormde een schril contrast met de manier waarop sommige ambtenaren zijn ondervraagd. De commissie aarzelde niet hen ruw in de rede te vallen.

De parlementaire enquêtecommissie sloot gistermiddag om kwart over vier een reeks van bijna honderd openbare verhoren in de periode sinds 27 januari j.l. af. Het begon met een aantal ooggetuigen en slachtoffers die alle ruimte kregen voor hun eigen verhaal, daarna kwamen achtereenvolgens de toedracht, de berging, de lading, de gezondheid en de overheid aan de beurt. Voor die verdeling in `blokken' is ook gekozen omdat het handiger werkt, de commissie kon na de openbare verhoren direct beginnen om dit deel gereed te maken voor het eindrapport. ,,Het proces om tot een verantwoord eindrapport te komen is volop gaande'', aldus Meijer.