Het doel en het middel

VOOR HET PUBLIEK is de parlementaire enquête naar de Bijlmerramp met het afsluiten van de openbare verhoren even voorbij. Aan de commissie nu de schier onmogelijke taak de resultaten van de verhoren te combineren met de overige bevindingen en deze te verwerken in de eindrapportage. Gaandeweg kreeg het onderzoek trekken van de welbekende omgekeerde piramide: naarmate meer getuigen werden gehoord, kwamen weer nieuwe mysteries bovendrijven. Gisteren konden op de valreep mannen met puntmutsen aan de toch al rijke oogst worden toegevoegd. Bovendien was er de onthulling dat El Al reeds kort na de ramp met de Boeing in het bezit was van alle vrachtpapieren.

Vragen, nieuwe vragen. Feiten, nieuwe feiten. Getuigenissen, andere getuigenissen. Wat dit aspect van de enquête betreft deed de week van de politici niet onder voor de andere weken. Zij leek de apotheose te vormen van een onderzoek dat al het nodige had weten los te maken. Er waren politici te zien die toch allemaal hun best hadden gedaan. Maar er is een verschil tussen goede bedoelingen en ministeriële verantwoordelijkheid. Daarover zal het straks gaan als de Tweede Kamer moet oordelen over de bevindingen van de commissie. Op basis van de openbare verhoren kan over dit punt nog weinig worden gezegd. Zij gaven weliswaar een beeld, maar per definitie een incompleet beeld.

Het is dan ook te vroeg voor het trekken van afgeronde conclusies. Afgaande op alle publicitaire bewegingen leek het alsof dit de week van de waarheid voor de bij de Bijlmerramp betrokken politici was. Maar iedereen zal nog even moeten wachten. Alles wat nu al wordt opgemerkt over het in of buiten gevarenzones verkeren is voorbarig en lijkt eerder te zijn gebaseerd op de wens die de vader is van de gedachte dan op werkelijke feiten.

DIT NEEMT OVERIGENS niet weg dat deze week met de verhoren een aardig doorkijkje is gegeven in de Haagse bestuurlijke verhoudingen. Als er iets nu al gesteld kan worden is het dat de beruchte republiek van de verschillende departementen nog volledig intact is. Ook jaren na de ramp, en vele onderzoeken verder, bleken de afzonderlijke departementen vooral met zichzelf bezig. Bij voorkeur werd informatie niet aan collega-ministeries doorgegeven. Dat roept direct de vraag op hoe het met de positie van de minister-president op het vlak van de coördinerende bevoegdheid gesteld is. Formeel is er op dit punt weinig geregeld en daarachter konden ex-premier Lubbers en de huidige minister-president Kok zich tijdens hun verhoren dan ook verschuilen. Maar dat neemt niet weg dat in de hedendaagse praktijk van het regeren minister-presidenten zich de coördinerende taak hebben toegeëigend. En dan blijft het opmerkelijk dat die noodzakelijke regierol in een kwestie waar op een gegeven moment niet minder dan acht departementen bij betrokken waren, is uitgebleven.

OOIT WAS ER in Nederland sprake van een uitgangspunt, welhaast een dogma, waaraan geen enkele regering zich mocht onttrekken: `eenheid van beleid'. Nu de openbare verhoren van de Bijlmerenquête voorbij zijn, weten we dat dit adagium zich makkelijker laat formuleren dan effectueren. Maar veel meer weten we nog niet. Er zijn te veel tegenstrijdige verklaringen en ondoorzichtige feiten boven water gekomen om een helder beeld te kunnen vormen.

IN EEN PARLEMENTAIRE democratie is openbaarheid misschien wel het hoogste goed. De volksvertegenwoordiging debatteert en stemt terwijl het publiek toekijkt. Een parlementaire enquête is daarop geen uitzondering. Dat de commissie, nadat ze eerst in beslotenheid zoveel mogelijk feiten heeft verzameld, haar voorlopige bevindingen de afgelopen weken heeft getoetst in getuigenverhoren onder ede is dan ook logisch. Over de wijze waarop de commissie zich van die taak heeft gekweten, is buiten de Tweede Kamer reeds kritiek gerezen. Dat mag uiteraard – er is ook aanleiding voor geweest, vooral in de eerste weken waarin echte en quasi-onthullingen met kennelijk genoegen werden gepresenteerd – maar deze kritiek kan de parlementaire enquête niet in de kern raken. Parlementariërs zijn nu eenmaal per definitie geen bestuurlijke managers. Ze zijn volksvertegenwoordigers die alleen aan de kiezer rekenschap en verantwoording hoeven af te leggen. Wie dat wil veranderen, loopt gevaar de bijl aan de wortel van het democratisch bestel te zetten.

DE ENQUÊTECOMMISSIE heeft het zich niettemin wel moeilijk gemaakt. De toeschouwer waande zich soms op de publieke tribune van een rechtbank. Ook daar weet het publiek meestal niet wat er exact in de dossiers staat, waarover officier van justitie, advocaat en rechter wel beschikken, en moet het dus afgaan op het gesproken woord van de verschillende partijen. Die kloof tussen de papieren in de dossiers en het gesproken woord in de zaal kan tot verwarring leiden. Zeker als de camera's permanent draaien en de publieke tribune zich tot in de huiskamers uitstrekt.

VOORZITTER MEIJER en zijn commissie gaan nu het rapport schrijven. Eind maart hopen ze klaar te zijn. De meeste aandacht zal dan vermoedelijk uitgaan naar de formuleringen waarmee de handelwijze van de politiek verantwoordelijke ministers worden beoordeeld. Daar kan immers bloed uit vloeien.

Als de enquêtecommissie het daarbij laat, maakt ze het zich echter te makkelijk. Natuurlijk moet de Tweede Kamer een rapport krijgen op basis waarvan politieke conclusies getrokken kunnen worden. Maar wellicht nog belangrijker is dat ze een rapport schrijft dat aanknopingspunten bevat om de bestuurlijke wanorde na de Bijlmerramp te reconstrueren. Kortom, dat de commissie de feiten op een rij zet maar de lacunes niet verdoezelt. Alleen zo kan de enquêtecommissie recht doen aan de controlerende taak waarvoor ze in het leven is geroepen. Als de commissie het dossier alleen in politieke zin wil sluiten, zal de burger namelijk achterblijven met het idee dat hij nog niets weet en kan de regering zich blijven wentelen in de illusie dat de `eenheid van beleid' een adagium is waarover niemand zich zorgen hoeft te maken.