GROTE DELEN VAN IJSKAP OP ZUID-GROENLAND ZIJN DUNNER GEWORDEN

Grote delen van de ijskap op het zuidelijk deel van Groenland zijn in de jaren tussen 1993 en 1998 meetbaar dunner geworden. In de hoogst gelegen delen van Groenland (boven 2.000 meter) bestaat een redelijke balans tussen sneeuwval en smelting, maar beneden de 1500 meter overheerst duidelijk een ijsverlies. Er zijn gebieden aan de oostkust van Groenland waar het ijsoppervlak de laatste jaren jaarlijks met meer dan een meter daalt.

Dat berichten onderzoekers van NASA's Goddard Space Flight Center in Science van 5 maart. De metingen zijn een belangrijke en vooral verrassende aanvulling op satelliet-metingen aan de Groenlandse ijskap waarover op 27 maart 1998 in Science werd gepubliceerd. Toen conludeerde C.H. Davis van de universiteit van Missouri dat hoogtemetingen van de Seasat en Geosat satellieten tussen 1978 en 1988 geen duidelijke trend in de dikte van de ijskap aantoonden. Hoogstens leek een geringe toename van de dikte zichtbaar. Er is grote belangstelling voor het gedrag van het ijs op Groenland, omdat ook in het ijs van de zuidpool te weinig afname wordt gemeten om de zeespiegelrijzing van de afgelopen eeuw te kunnen verklaren.

De satellietmetingen van Davis bleven destijds beperkt tot steekproeven uit de hoogst gelegen delen van Groenland. NASA gebruikte voor het recente onderzoek een laagvliegend vliegtuig dat het oppervlak onder zich aftastte met een pulserende laserstraal en uiterst secuur op koers werd gehouden door het GPS-navigatiesysteem. Zo kon in opvolgende jaren een traject worden gevlogen dat hooguit 50 meter afweek van een eerder traject. De stand van het vliegtuig werd op elke moment bepaald met Honeywell-gyroscopen, de nauwkeurigheid in de afzonderlijke hoogtemetingen was ongeveer 10 centimeter.

In de hoogst gelegen delen van het onderzochte stuk Groenland werd in de peiode 1993-1998 meestal een geringe toename van de ijsdikte gevonden, op drie plaatsen zelfs met wel 15 tot 25 cm per jaar. Alle drie plaatsen bevinden zich in gebieden waar doorgaans veel sneeuw valt, maar meteorologische modellen berekenden vreemd genoeg juist een afname van de sneeuwval in de onderzoeksperiode.

Beneden de 1500 meter domineerde meestal een verlies aan ijs en hoe dichter bij de zee hoe sneller de dikte afnam. Op hoogtes onder de 1200 meter is de dikte soms met meer dan 2 meter per jaar afgenomen. Er zijn gebieden aan de oostkust van zuid-Groenland die in de vijf jaar tussen 1993 en 1998 meer dan tien meter dunner werden. Voor een deel maakten die gebieden een abnormaal warme periode door, maar voor een deel ook niet. De NASA-ploeg acht het niet waarschijnlijk dat verminderde sneeuwval of toegenomen smelting de waarnemingen kan verklaren. Eerder acht zij het aannemelijk dat de ijsmassa's met toenemende snelheid wegglijden naar zee omdat de wrijving met de ondergrond vermindert doordat daar meer smeltwater doordringt. Als die hypothese juist is zou een gevaarlijk versnellend effect gevonden zijn, enigszins vergelijkbaar met een mechanisme dat voor Antarctica wordt verondersteld. Het wegglijden van het ijs van de zuidpoolgletsjers zou worden afgeremd door de enorme massa `shelf-ijs' die voor de kust drijft. Als dat shelf-ijs uiteenvalt, en sommigen menen dat dit staat te gebeuren, kunnen ook de zuidpoolgletsjers sneller gaan stromen. (Karel Knip)