Examens (1)

Een multiple choice examen bevat altijd wel een paar vragen waarbij je je toevlucht moet nemen tot raden. De leerling die bij 50 vierkeuzevragen er 30 goed heeft, kan de pechvogel zijn die normaal gesproken zo'n 35 goed had gescoord of de geluksvogel met, normaal gesproken, slechts zo'n 25 goed. In de praktijk betekent dit dat zowel de leerling die een 4 als de leerling die een 6 verdient beiden uit kunnen komen bij een 5.

Naast geluk of pech speelt ook een rol iets wat daar veel op lijkt: sommige leerlingen zijn goed, andere slecht in multiple choice. De een laat zich gemakkelijk van de wijs brengen, de ander is meer in staat om koelbloedig strategisch te werk te gaan. Zo komen de laatsten in die gevallen waarin ze het niet zeker weten, toch nog vaak uit bij de goede oplossing. Vaker dan de gemiddelde leerling, die net zo goed is in Engels of Frans of Duits.

De vragen uit de examens moderne vreemde talen hebben betrekking op teksten. Daarmee doen ze een beroep op de vaardigheid tekstbegrip. Hoe ingewikkelder de tekst op zich, hoe meer die vaardigheid een rol zal spelen. Voor Nederlandse leerlingen is in de regel Frans de moeilijkste taal, Duits de gemakkelijkste en Engels zit daartussenin. Als je leerlingen bij het eindexamen vwo een Duitse tekst voorlegt met daarbij multiple choice vragen, en wilt voorkomen dat het gros van de leerlingen in de hoogste regionen scoort – iets wat om psychometrische redenen noodzakelijk is – dan zul je een ingewikkelde tekst moeten nemen; terwijl je voor Frans met een eenvoudiger tekst kunt volstaan. Anders gezegd: hoe kleiner de handicap als gevolg van het feit dat de tekst en de vragen in een vreemde taal zijn gesteld, des te ingewikkelder die tekst en die vragen moeten zijn. Bij het vwo-examen Duits bijvoorbeeld kun je je afvragen of sommige leerlingen het zo veel beter zouden maken als het in het Nederlands was gesteld.

Kortom, bij de multiple choice examens talen meet je, naast de mate waarin de kandidaat een geluks- dan wel een pechvogel is, naast de gewiekstheid om vierkeuzevragen te beantwoorden en naast de vraag of hij goed dan wel slecht is in tekstbegrip, ook in zekere mate de kennis van die taal.

Omdat voor veel vakken meerkeuzetoetsen verantwoordelijk zijn voor meer dan de helft van het eindcijfer, zijn genoemde gebreken elk jaar opnieuw verantwoordelijk voor het slagen of zakken van talloze leerlingen. Schande dus. Probleem is alleen, dat andere methoden nadelen kennen die misschien wel net zo schandelijk zijn. Vroeger, toen het mondeling de helft van het eindcijfer bepaalde, was de invloed van de vorm eveneens groot. De leerling die er aardig uitzag, een goede indruk maakte op de in de regel zeer op keurigheid gestelde gecommitteerde, en gemakkelijk babbelde, had een beduidende voorsprong op zijn of haar niet zo innemende klasgenoot. Zeker zo oneerlijk, want dit alles heeft minder te maken met intellectuele kwaliteiten dan het vermogen om, met een beperkte kennis van zaken, uit vier mogelijkheden hoe dan ook het juiste alternatief te destilleren.

Als die multiple choice examens zo veel nadelen kennen, waarom dan weer niet de vertaling in ere hersteld? De vertaling kent al die nadelen immers niet, dus, zou je zeggen, is het wenselijk daarnaar terug te keren.

Dat denk ik inderdaad ook, maar vermoedelijk om een heel andere reden dan u. Daarover de volgende keer.