De witfiets

Alle zaterdagen om een uur of tien begint het, en sinds de winkels op zondag open zijn is het dan tegen twaalven van hetzelfde laken een pak. Iedereen gaat met de auto naar de Bijenkorf en omstreken. Bent u niet thuis in Amsterdam, stelt u het zich dan voor als een omgekeerde delta. Er is een arm die begint in de IJtunnel, de tweede ontwikkelt zich in de Wibautstraat. Die vloeien samen aan het Waterlooplein. Het derde armpje, van langs de Amstel, voegt zich erbij als de stroom aan de overkant van de Blauwbrug is. Dit geheel perst zich in de richting van de Munt.

Intussen nadert uit een andere windstreek een dikke stroom door de Vijzelstraat, ook naar de Bijenkorf. Het Muntplein kan het niet verwerken. Intussen nadert over de Rozengracht nog een hoofdstroom. Om een uur of twee beweegt niets meer. Als ik er in de tram langsreed, telde ik de stilstaande auto's. Nog altijd passeer ik honderden auto's, maar met het tellen ben ik allang opgehouden.

Een jaar of 35 geleden verschenen de witkarren op straat, de elektrisch voortgedreven constructies van Luud Schimmelpennink. In zo'n witkar heb ik toen een proefrit gemaakt. Uitstekende wegligging, goed klimvermogen (met het oog op de bruggen), vrij uitzicht naar alle kanten en een mooi uiterlijk, overeenkomstig de maatstaven die Amsterdam zichzelf toeschrijft: oorspronkelijk, democratisch, tolerant en nog een stuk of wat deugden. Het systeem dat aan de witkar ten grondslag ligt, is wezenlijk goed. Had de gemeente toen doorgezet dan was Amsterdam nu nog wereldberoemder geweest. Maar de kinderziekten waren dodelijk.

Schimmelpennink gaf het niet op. Schimmelpennink geeft nooit op. Hij ontwikkelde de Solo, een overdekte driewieler met hybridische aandrijving (d.w.z. een systeem waardoor energie `gehamsterd' wordt op trajecten die weinig inspanning vergen, voor trajecten waar men harder zou moeten trappen, ware het niet dat men dan de voorraad kan aanspreken). Opnieuw een ontwerp dat was voortgekomen uit de zuivere rede. Ik maakte een proefrit. Het regende, ik bleef droog, maar stond doodsangsten uit, want voelde me tussen de razende auto's en vooral vrachtauto's als een kuiken in een glazen ei. Voorzover ik weet is de Solo niet verder gekomen dan werkplaats en museum, en een afbeelding ervan die ik in mijn kamer heb.

Toen kwam opnieuw de fiets, de witfiets. Vrijwel alle tekorten die de gewone fiets kwetsbaar maken zijn hier verdwenen. Dieven zullen er geen plezier aan beleven omdat de witfiets zijn eigen unieke identiteit heeft en dus onverhandelbaar is. Je hoeft hem niet te kopen want hij is alleen te huur. Je kunt hem uit het publieke rek halen, het depo, tegen betaling via een chipkaart – ongeveer een gulden per rit. Je kunt er niets afschroeven: de bel zit in het handvat, de lamp in het frame en de dynamo is onzichtbaar, de wielen passen op geen enkele andere fiets. Je kunt zware bagage vervoeren op de bagagedrager met olifantsdraagvermogen. Een infrastructuur van depots is in ontwikkeling, met steun van het GVB, de Postbank, KPN Telecom en Chipper Nederland. En, zult u vragen, alles goed en wel, maar hoe zit het met de rijkwaliteiten?

Twee dagen geleden heb ik een proefrit gemaakt. Twintig jaar geleden voor het laatst op de fiets gezeten. Na vier, vijf meter oefenen besefte ik wat ik al die tijd heb gemist. Op het eerste gezicht zou je het niet zeggen, maar rijdend op de witfiets is het alsof je vleugels hebt gekregen.

Stuurstabiliteit, acceleratie, wegligging, alles draagt ertoe bij om je te voelen alsof je weer in de derde klas van de middelbare school zit. De mensen keken me na. Ze dachten: `Hee, wat is dat voor iemand die daar zo hard op die interessante fiets rijdt?'

Ik bedankte de uitvinder/ constructeur en stapte weer in de tram, keek naar buiten en zag verstarde slangen van blik. Hoe mooi zou het zijn als in plaats daarvan een gewemel van witfietsende Amsterdammers het straatbeeld beheerste.

De voorlaatste maal las ik over Luud Schimmelpennink in de Business Section van de New York Times. Je moet iets bijzonders hebben gedaan, wil die krant er melding van maken. Hij deelde de eer met Wim Duisenberg die Trichet had verslagen. De foto van Schimmelpennink versierde een uitvoerig artikel over de witfiets. Duisenberg en Schimmelpennink: ik was trots op mijn land – maar toch, met gemengde gevoelens.

Ik beschouw Schimmelpennink als een van de grote voorvechters van de zuivere redelijkheid in deze tijd. Hij levert, dat schrijf ik zonder ironie, een taai gevecht tegen de domheidslegioenen, de numerieke overmacht van de ongetelden die iedere zaterdag weer in hun auto gaan zitten om de parkeergarage van de Bijenkorf te bereiken, waar ze ontdekken dat die vol is. Schimmelpennink is, met zijn onverwoestbaar geloof in de uiteindelijke triomf van de rede en de energie die hij daaruit put, een bewonderenswaardig man.