De mannen van Dennendal

De jaren zestig, die zich overigens vooral in de jaren zeventig afspeelden, zijn in Nederland sterk verbonden geraakt met de bezetting en belegering van gebouwen. Het Maagdenhuis is synoniem geworden voor al het studentenprotest, tien jaar strijd over abortus is samengebald in de bezetting van de Bloemenhove-kliniek en het Dennendal-conflict staat voor de botsing tussen de conservatieve beterweters van het medisch bolwerk en de alternatieve hulpverleners van een gedemocratiseerde zwakzinnigenzorg.

Het is de mythische versimpeling van voor Nederlandse begrippen ongekend heftige tegenstellingen die steeds meer deel uit zijn gaan maken van een collectief geheugen, dat zich berichten in kranten en flitsen op het journaal als autobiografie herinnert. We weten dat het er was en denken er onszelf graag bij, benijd door jongere generaties, die zonder strijd in de schoot geworpen krijgen wat met zoveel moeite de regenten van toen uit de handen is gewrongen. We denken dat we ook weten hoe het echt was en vergeten dat destijds uit de chaos van elkaar snel opvolgende gebeurtenissen pas geleidelijk en meestal achteraf duidelijk werd dat er een slag van historische betekenis was geleverd.

De geschiedenis van de Dennendal-affaire wordt niet voor het eerst beschreven. Evelien Tonkens staat met haar uitstekend geschreven en conceptueel heel mooi uitgewerkte proefschrift in een traditie, die in 1994 zijn einde leek te vinden in de geschiedenis van `heel' Dennendal (`Om het geluk van de zwakzinnige') van Joost Dankers en Jos van der Linden. 25 jaar Dennendal was een goede gelegenheid om te laten zien dat er ook een leven was na de affaire en de ontruiming van de paviljoens in Den Dolder. Evelien Tonkens neemt wat afstand van hun boek, maar wie een goed beeld wil hebben van de ontwikkelingen zou eigenlijk beide boeken moeten lezen: de geschiedschrijving van Dankers en Van der Linden en de cultuursociologische en `ideengeschichtliche' analyse van Tonkens. Ook haar boek gaat over meer dan de affaire alleen: de ontwikkeling van Dennendal wordt geplaatst in het kader van de verande ringen die zich internationaal in de opvattingen over een goede geestelijke gezondheidszorg en dus ook een goede zwakzinnigenzorg aan het voltrekken waren.

De Dennendal-affaire ziet ze niet simpel als een conflict tussen oude regenten en jonge hulpverleners, maar als een uiting van voorlopig onvermogen van besturen om met niet-autoritaire en niet-hiërarchische structuren om te gaan. Bovendien laat zij er weinig twijfel over bestaan dat een consequente doorvoering van een `zelfontplooiingsregime' – en daar was naar haar mening bij Dennendal sprake van – zou vastlopen in zijn eigen dilemma's en dus onvermijdelijk ook intern tot conflicten zou moeten leiden.

De affaire begon in De Telegraaf, die in maart 1971 de krant opende met `Den Dolder draait dol door Kabouters'. Niet iedereen zal toen hebben geweten dat de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder behalve psychiatrische patiënten ook een grote groep geestelijk gehandicapten onderdak bood, maar iedereen wist wel wie er met Kabouters bedoeld werden: de volgelingen van Roel van Duijn en de inwoners van de fictieve Oranje Vrijstaat,die in het teken stond van vrije seks, lang haar en veel hash. Orde en netheid waren ver te zoeken en De Telegraaf bracht de verdrinking in bad van een patiënte in direct verband met de op de afdeling Dennendal heersende anarchie. Dat bleek achteraf onterecht, maar er waren wel degelijk grote problemen op de W.A. Hoeve. Bijna ongemerkt bleek zich onder leiding van de jonge psycholoog Carel Muller in een aantal oude en afgeleefde paviljoens achterop het grote terrein van de Hoeve een leefgemeenschap van patiënten en groepsleiders gevormd te hebben. De zwakzinnige werd van een patiënt een voorbeeld: open, eerlijk, spontaan. Deskundigheid maakte plaats voor betrokkenheid, gezelligheid, `samen gewoon mens zijn'. De regulering van de patiënt en de strikte regeling van het dagelijkse leven maakte plaats voor een grote vrijheid voor patiënten – en groepsleiders! – om aan hun eigen leven vorm te geven. Dat is het ideaal van de zelfontplooiing dat voor patiënt en groepsleider gelijk geldt. De patiënt wordt een individu met zijn eigen behoeften en wensen, die ook zichzelf mag zijn.

Dat klinkt allemaal redelijk gewoon en vanzelfsprekend, maar dat was het toen allerminst en in zijn uiterste consequenties was het ook niet vol te houden. De patiënten van Dennendal waren en zijn zwaar gehandicapte mensen, die niet zelfstandig kunnen leven. Niettemin constateert Evelien Tonkens dat veel van de idealen die nu al weer bijna dertig jaar geleden op Dennendal voor het eerst in Nederland in zo radicale vorm gerealiseerd werden, nu in een gewijzigde en aangepaste vorm algemeen ingang gevonden hebben. Zij spreekt dan ook van `het succes van Dennendal'. Ze heeft daarin tot op grote hoogte gelijk, al eindigde destijds het experiment in een drama, dat door alle partijen zo lang mogelijk werd uitgesteld, maar als een soort noodlot uiteindelijk onafwendbaar bleek. Aanvankelijk zag het er daar overigens nog helemaal niet naar uit. 1971 eindigde na een bestuurscrisis in een periode van relatieve rust – althans naar buiten toe – en dat bleef zo in de jaren daarna. In een wat minder extreme vorm ging Dennen dal onder aanvoering van Muller op de ingeslagen weg voort. De vlam sloeg, na vele incidenten en conflicten, opnieuw in de pan toen er tussen het bestuur van de Willem Arntsz Stichting en Dennendal oorlog uitbrak over ongeveer alles: de nieuwbouwplannen, de filosofie achter de zwakzinnigenzorg, de benoeming van nieuwe bestuursleden en zo nog het een en ander. Ook binnen Dennendal zelf ontstond grote verdeeldheid en toen op landelijk niveau pers en politiek zich er ook weer mee gingen bemoeien, escaleerde het conflict in hoog tempo.

In 1974 was Dennendal regelmatig voorpaginanieuws, met als dramatisch slotakkoord de ontruiming van de paviljoens door de politie. De patiënten werden naar andere instellingen gebracht en de meeste medewerkers ontslagen. Het was een tragische gebeurtenis, met grote betrokkenheid van de landelijke politiek en een verklaring van minister-president Den Uyl op de televisie. De reconstructie van de gebeurtenissen levert een op zichzelf nu nog maar nauwelijks interessante reeks van elkaar afwisselende en uiteraard bestrijdende commissies en besturen op, reeksen rapporten, voorstellen en ultimatums, stoeten adviseurs en uren Kamerdebat. Wie wat verder kijkt, en Evelien Tonkens kan dat heel goed, herkent in de stofwolken van de gevechten de contouren van een nieuwe vormen van bestuur en organisatie. De rechtlijnigheid van de echte Dennendallers rond Carel Muller bleek net zo onvruchtbaar als de onzekerheid en onberekenbaarheid van de bestuurders.

Het aanwijzen van schuldigen heeft niet veel zin en is in een zo complexe situatie ook nauwelijks mogelijk. De twee Dennendal-conflicten hebben heel wat reputaties en carrières geknakt, niet in de laatste plaats ook die van Carel Muller.

Interessant is dat de conflicten zich bijna zonder uitzondering tussen mannen hebben afgespeeld en dat ook de groepsleiders op Dennendal in meerderheid mannen waren. De zwakzinnigenzorg was zeker destijds een sector waar op uitvoerend niveau nauwelijks mannen werden aangetroffen en op beleidsniveau werden zeker in een psychiatrisch ziekenhuis de paviljoens voor zwakzinnigen stiefmoederlijk behandeld. Die relatieve verwaarlozing maakte het mogelijk dat een jonge psycholoog als Muller de leiding van de afdeling zwakzinnigenzorg kon krijgen en vrijwel ongestoord zijn gang kon gaan.

De toevallige omstandigheid van de nabijheid van de Utrechtse universiteit met zijn vele psychologiestudenten en de populariteit van de principiële dienstweigering onder juist deze studenten leidde tot een grote toestroom van jonge, hoog opgeleide mannen naar de Willem Arntsz Hoeve. In de nieuwe rol van groepsleider verdrongen zij de verpleegkundigen van hun plaats.

De vermannelijking van een vrouwenberoep in een sector met een notoir lage status en weinig professionaliteit plaatst Evelien Tonkens in het kader van het zelfontplooiingsstreven, dat vooral in zijn meest spontane gedaante de kern van de tegencultuur van de jaren zestig vormde. De keuze voor de zwakzinnige als `maatje', als voorbeeld zelfs, betekende afstand nemen van de traditionele rol van de man als de brenger van rationaliteit en de drager van de maatschappelijke orde. De mannelijke groepsleider – werkend beneden zijn opleidingsniveau, de militaire dienst weigerend – tekende protest aan tegen de mannen uit eerdere generaties zonder te hoeven kiezen voor de (toen nog) typisch vrouwelijke en dienende rol van verpleegkundige. ``De verpleegster, die in stille opoffering zorgde en poetste, werd getransformeerd tot dappere ridder die een luidruchtige bevrijdingsstrijd voerde... het werken met zwakzinnigen werd door het zelfontplooiingsideaal geherdefinieerd van typisch vrouwenwerk naar typisch mannenwerk.'' Het is een gedachte waar men destijds zeker niet op gekomen zou zijn.

Evelien Tonkens: Het zelfontplooiingsregime. De actualiteit van Dennendal en de jaren zestig. Amsterdam, Bert Bakker, 294 blz. Katholieke Universiteit Nijmegen, 11 maart 1999. Promotor prof.dr.A.W. van Haaften.